HOEVEEL GELUK DENKEN WE DAT WE HEBBEN?

Wat vindt u op deze site?
De laatste generatie (oorzaken)
Hitte (maatregelen)
Zes graden (gevolgen)
Klimaatdukaten (eerlijke verdeling)
Basishandleinding Transition Towns
Transitie Handboek
Volksbeving (bevolkingsbom?)
Ten onder te boven (vijf spanningen)
Terra Reversa (transitie)
From social change to climate change
Welvaart zonder groei (economie)
Leren van de natuur (nme)
De val van Amerika (overleven)
De mens als god (ecologie)
Einde aan de groei (piekalles)
Terugkeer naar het leven (engagement)
De Duurzaamheidsrevolutie (ommekeer)

eind 2012:
Geld en duurzaamheid (ontbrekende schakel)

2013:
Filosofie van de soberheid (matigheid)



Bij De laatste generatie vindt u een artikel over de inhoud, bij Hitte veel vertaalde artikelen van George Monbiot en bij Zes graden een lange samenvatting van het boek.

Wordt actief
We moeten stoppen bij twee graden opwarming (= 400 ppm CO2). Technisch kunnen we dat best, maar toch gebeurt het niet. Het vereist een politiek-economische omvorming van de maatschappij. En dat vereist actie. Op deze site komt er binnenkort een pagina 'wordt actief' bij waarop u suggesties vindt.

In Engeland loopt vanaf 1 augustus 2008 de '100-maanden-actie'. Dat is wat we hebben: intussen minder dan 100 maanden om wereldwijd de trend om te buigen naar minder koolstofuitstoot. (zie www.neweconomics.org) Wij willen daarbij gaan aansluiten.

U kunt informatie verspreiden (de kettingboeken, folders, ansichten - in de maak); daarbij kunt u een groep vormen (als u zich opgeeft, vertellen wij wie in uw buurt uw medestanders zijn); u kunt ingezonden brieven schrijven, lezingen houden of organiseren, en de politici bewerken.

U kunt u inzetten voor de verspreiding van het Klimaatdukaten-plan. Dat is de oplossing op nationaal niveau.

U kunt ook juist lokaal beginnen. Het voorbeeld daarvoor is de Transition Town beweging die in 2005 in Engeland begon. (Zie www.transitionculture.org) De eerste Nederlandse initiatieven bloeien al op. De basisgedachte is: peak oil gaat een ongekende energiecrisis veroorzaken en daarop moet iedere gemeenschap zich zelf voorbereiden. Weerstand opbouwen gebeurt door de zelfvoorziening te vergroten en de energie-afhankelijkheid te verkleinen. Het werkt zo'n beetje tegengesteld aan de milieubeweging. De Transition-aanpak is: lokaal samen bouwen, alles wordt erin betrokken (holistisch), op basis van hoop, optimisme en vooruitzien. Jan Modaal is niet het probleem maar de oplossing. Al doende vindt iedere groep de beste oplossing voor haar omstandigheden. De overheid is nooit het doelwit van eisen; de overheid mag hooguit faciliteren.
U zult hier straks informatie vinden over de ontwikkelingen in Nederland.

Vergeet die stomme ijsberen, het gaat nu om ons

door Jan van Arkel


De verwachte toename van het CO2-gehalte van de atmosfeer zal in de komende eeuw leiden tot ingrijpende en onomkeerbare milieu-effecten op wereldschaal ... [zoals] een snelle desintegratie van bepaalde delen van de antarctische ijskap.” - Gezondheidsraad, 1983

We bedoelen het niet zo, maar als we opzettelijk zoveel mogelijk leven op aarde wilden vernietigen, konden we het niet beter doen dan zo.” - Mark Lynas in Zes graden

Je leest het steeds vaker: een voorspelling van een temperatuurstijging van zes graden. Het Internationale Energie Agentschap kwam ermee op 12 november 2008.(1) En Wilco Hazeleger, hoofd Mondiaal Klimaat van het KNMI noemt het getal.(2) Het gebeurt bijna besmuikt, zonder een woord over de betekenis ervan. Wie het boek Zes graden van Mark Lynas leest, weet dat de mensheid zo'n temperatuurstijging niet overleeft.
We leven in een schizofrene wereld. Om ons heen bouwen vele crises tegelijk zich op, maar we doen met z'n allen of er niets aan de hand is. Het advies van de Gezondheidsraad uit 1983 kwam duidelijk veel te vroeg. (Van Arkel) In Rio de Janeiro was er in 1992 overeenstemming.(3) Maar nog steeds doen wij praktisch niets om de klimaatcrisis af te wenden.
Peakoil, de olieschaarste die voor de deur staat, wil maar niet tot ons doordringen. Wie nagaat hoe de financiŽle crisis ons heeft overvallen, zal concluderen dat we met klimaatverandering en olieschaarste het ergste moeten vrezen.
(De Engelsman David Fleming is hiermee al sinds midden jaren '90 bezig. Hij vond een oplossing waarover u op deze site alles kunt lezen. Zijn tekst Energieslank leven met klimaatdukaten gaat ervan uit dat de lezer de aard en de ernst van de klimaat- en oliecrisis al kent. (4) Ook wordt de reikwijdte die het plan in andere opzichten heeft, in zijn tekst niet belicht. Vandaar dat de Nederlandse uitgave van het boek is aangekleed met een inleiding en vijf bijlagen. Hopelijk helpt dit ons de enorme reikwijdte van dit simpele idee beter te doorzien. Want het is een oplossing die zo effectief is, en zoveel andere zaken overbodig maakt,(5) dat zij het waard is serieus overwogen te worden. Hier kan geen emissiehandel tegenop.)

Peakoil
Het Internationale Energie Agentschap (IEA) van de OESO-landen publiceerde 12 november 2008 de World Energy Outlook 2008. Daarin wordt olieschaarste aangekondigd voor 2010! Dat betekent niet dat het IEA toegeeft te geloven in peakoil, het geologische verschijnsel dat de oliewinning een piek in de productiecurve bereikt,(6) waarna de winning onherroepelijk gaat dalen en schaarste optreedt. Er is volgens het IEA niet genoeg in de exploratie en winning geÔnvesteerd, waardoor binnenkort dus niet meer aan de vraag voldaan kan worden. De conclusie is dramatisch: het zal niet lukken om ons uit de financiŽle crisis te 'groeien', omdat daarvoor tot zeker 2015 de beschikbare olie niet toereikend is.(7)
Peakoil is niet zozeer een theorie, maar een mathematisch model, dus geen prognose of hypothese maar een vaststelling, zoals de geschiedenis intussen aantoont. Al in 1956 werd in de VS een piek in de Amerikaanse oliewinning voorspeld. De briljante Shell-geoloog Marion King Hubbert voorspelde toen dat de oliewinning binnen de VS zijn top zou bereiken rond 1970 en daarna ging dalen. Dit idee was voor de olie-industrie, de overheid en het algemene publiek te belachelijk voor woorden. Niemand wil immers horen dat het feest voorbij is. Maar toen het 1970 werd, zette de daling wel in. Sindsdien hoort de VS bij de groeiende rij landen die over hun oliepiek heen zijn.
Wat voor de VS geldt, gaat ook op voor de hele wereld. Dat maakte het werk van de oud-Total-geoloog Colin Campbell duidelijk. Na jaren van turven en extrapoleren schreef hij met Jean LaherrŤre in 1998 het artikel 'The end of cheap oil'. In 2001 richtte hij de Association for the Study of Peak Oil (ASPO) op. De Nederlandse afdeling ervan heet de Stichting Peakoil Nederland. Ook de wereld als geheel zal ondervinden dat de oliewinning niet blijft groeien. De top van de productiecurve wordt gewoonlijk ergens tussen 2010 en 2015 verwacht, maar deze zou zelfs al achter ons kunnen liggen.

Wat voor de VS geldt, gaat ook op voor de hele wereld. Dat maakte het werk van de oud-Total-geoloog Colin Campbell duidelijk. Na jaren van turven en extrapoleren schreef hij met Jean LaherrŤre in 1998 het artikel 'The end of cheap oil'. In 2001 richtte hij de Association for the Study of Peak Oil (ASPO) op. De Nederlandse afdeling ervan heet de Stichting Peakoil Nederland. Ook de wereld als geheel zal ondervinden dat de oliewinning niet blijft groeien. De top van de productiecurve wordt gewoonlijk ergens tussen 2010 en 2015 verwacht, maar deze zou zelfs al achter ons kunnen liggen.
De oliewereld is een vreemd wereldje, getuige de volgende voorbeelden. In december 2008 was de olieprijs honderd dollar lager dan de prijs van een half jaar ervoor.(8) Dat klinkt geruststellend, maar is het juist niet. Het olieverbruik is in dat halve jaar niet echt gedaald.(9) Verreweg de meeste olie kan dus geproduceerd worden voor een prijs van 40 dollar. Slechts een klein deel kent kennelijk hogere productiekosten. De marge tussen de hoeveelheid olie die aan 40 dollar gewonnen kan worden en de omvang van de vraag van juli 2008 is dus niet al te groot. Toch waren de prijzen in de zomer van 2008 100 dollar hoger. Dat houdt in dat bij een geringe toename van de vraag de prijzen alweer omhoog kunnen schieten. De lage prijs is zeker geen bewijs voor ruimte in het aanbod.
In juli 2008 kwam de US Geological Survey (USGS) met een schatting van de hoeveelheid winbare olie rond de Noordpool: er zit minder dan drie jaar aan olie gerekend met het huidige wereldverbruik en minder dan 16 jaar aan gas. Het waren grote getallen en de precisie ervan (tot cijfers achter de komma) maakte indruk. Maar de statistische onderbouwing door de USGS bleek deels waardeloos: de getallen zijn volkomen onbetrouwbaar.(10) En wat heb je eraan dat je olie kunt winnen in een klimaat dat ter plaatse zo slecht zou kunnen worden dat de winning voortdurend gevaar loopt? (Homer-Dixon, 2008)
Is het erg als de oliewinning niet meer aan de vraag kan voldoen? (Metz) Deze vraag liet de Amerikaanse regering beantwoorden door een zware commissie onder leiding van Robert Hirsch. Dit 'Oh-my-God'-rapport wordt gewoonlijk het Hirsch-rapport genoemd. Het kwam uit in 2005. 'Het legt de enormiteit van het probleem bloot en ze wisten niet wat ze ermee aan moesten. Mensen waren er echt bang voor, herinnert Hirsch zich. (Strahan) 'Als er niet tijdig iets wordt ondernomen, zullen de economische, sociale en politieke gevolgen hun weerga niet kennen', was de conclusie. Als er niet minstens tien jaar van tevoren begonnen wordt aan de aanpak, ben je te laat. Twintig jaar van tevoren beginnen met voorbereiden is eigenlijk de enige verantwoorde termijn; zoveel moet er veranderd worden. Daarmee zijn we terug bij het maken en uitvoeren van beleid. Wij hadden minstens tien jaar vooruit moeten kijken en nu hebben we misschien nog slechts twee jaar. En nog lijkt dit probleem bij de overheid niet in beeld te zijn.

We moeten ons voorbereiden op een oliecrisis op korte termijn.

Klimaatverandering
Ook bij het klimaat hebben we te maken met een model, niet met een theorie. Klimaatverandering tengevolge van ons handelen is onomstreden. Alleen zijn er eindeloos veel factoren in het spel die zo'n ingewikkelde kluwen vormen, dat het lastig is precieze voorspellingen te doen. Zodat deze voor de politiek niet hard genoeg zijn om naar te handelen. Wetenschappers durven er hun hand niet voor in het vuur te steken dat precies bij het bereiken van een bepaald kooldioxidegehalte in de atmosfeer de grens van onomkeerbare opwarming wordt overschreden. En dat heeft fnuikende gevolgen voor de reactie van de politiek: maatregelen stellen nog nergens ter wereld wat voor.(11)
Sinds 2005 is er wetenschappelijk veel meer helderheid gekomen en blijken twee verschijnselen een sleutelrol te vervullen: terugkoppeling en niet-lineaire reactie.
Bij terugkoppeling heb je de versterkende soort (positieve terugkoppeling of positive feedback) en de afzwakkende soort (negatieve terugkoppeling). Het smelten van het poolijs is een voorbeeld van potieve terugkoppeling: warmere lucht doet het ijs smelten; donker water neemt meer zonneschijn op dan wit ijs; het warmere zeewater verhoogt de luchttemperatuur; de warmere lucht doet meer ijs smelten, enz.
Wetenschappers hebben steeds meer terugkoppelingen in hun modellen weten in te bouwen, maar met de koolstofcyclus tussen lucht, land, oceanen en organismen blijft het moeilijk. En juist deze zou wel eens heel belangrijk kunnen blijken voor de stabiliteit van het klimaatsysteem van onze planeet.
Politici lijken de implicaties van zulke versterkende terugkoppelingen niet te begrijpen. Hetzelfde geldt voor de niet-lineaire reactie (nonlinear response). De aarde blijkt niet ťťn evenwichtstoestand te hebben, maar meerdere. Die van ijstijden en de warmere tijden ertussen kennen we uit de recente paleoklimatologische geschiedenis. De verschuiving van de ene naar de andere toestand was geen kwestie van ontelbaar veel kleine stapjes, zoals men vroeger dacht. Het is een plotseling doorschieten van de ene evenwichtstoestand naar de andere, onomkeerbaar op de menselijke tijdschaal.
Als politici al iets hanteren, baseren ze zich op het IPCC-rapport dat in 2007 verscheen.(12) (IPCC) Dit IPCC-rapport is gebaseerd op de stand van de kennis van 2005 en bovendien een compromis-stuk waarin de scherpe kantjes van de zaak zijn afgeslepen.(13) Juist rond 2005 kwamen in de klimatologie de omslagpunten(14) duidelijk in beeld. Dat is het punt waar de niet-lineaire reactie toeslaat. De wetenschappelijke vooruitzichten voor een leefbaar klimaat verslechteren al jarenlang. Het zit nooit eens mee bij nieuw onderzoek. Maar het lijkt nu wel echt razendsnel van kwaad tot erger te gaan. Dat realiseert de politiek zich nog niet.
Het tempo waarin het ijs aan de Noordpool smelt, is fenomenaal. Op 14 september 2007 bereikte het ijsdek een historisch dieptepunt en in 2008 kwam het er weer dichtbij.(15) Wetenschappers waarschuwen intussen dat een `verschuiving naar jonger en dunner ijs spoedig kan uitmonden in een ijsvrije Noordpool'. In 2007 nog waarschuwde het IPCC voor het verdwijnen van het ijs aan het einde van 21ste eeuw. Dat is dus in een periode van 90 jaar. Nog maar ťťn jaar later is er al sprake van een periode van slechts 3 tot 7 jaar waarin het gebeurd kan zijn. (Comiso. Haas. NOAA. PIRC)
Aan het einde van 2008 komt in alle ernst de vraag op of zo'n punt van onomkeerbare reactie misschien bereikt is aan de Noordpool. In september en oktober van 2008 ontdekten expedities van Russische onderzoekers dat grote hoeveelheden methaan vrijkwamen uit methaanhydraten onder de zeespiegel aan de kust van SiberiŽ.(16) (Homer-Dixon, 2008) Zonder ijs in de Noordelijke IJszee dringt de opwarming plotseling 1500 km landinwaarts SiberiŽ binnen. (Lawrence. Schuur) De permanent bevroren grond houdt daar tweemaal zoveel koolstof vast als er nu in de hele atmosfeer zit. Ook op het land worden de gevolgen van het smelten van het zeeijs al zichtbaar. Methaan spuit op sommige plaatsen met zo'n kracht naar buiten dat Arctische meren daardoor in de winter niet meer dichtvriezen.
Vergeet die stomme ijsberen, zegt George Monbiot in One Shot Left, het gaat nu om ons. Een op hol geslagen opwarming van de Noordpool kan in zijn eentje de hele planeet niet-lineair naar een nieuwe klimaattoestand brengen.
Er is dus een spraakverwarring tussen de wetenschappers en de politici. De wetenschappelijke terminologie en terughoudendheid brengt de politici ertoe zich vast te klampen aan het idee dat het misschien nog wel gaat meevallen, of dat we nog tijd hebben om erover na te denken.
Er is eigenlijk maar ťťn wetenschapper van naam die een stap verder durft te gaan. Dat is NASA-klimatoloog James Hansen.(17) Hansen verdient de benaming topklimatoloog ten volle, want niemand publiceert zoveel artikelen in wetenschappelijke tijdschriften als hij.
Wetenschappelijk benadrukt Hansen dat de thermische traagheid ons sowieso nog een verdubbeling van de huidige 0,75 graad opwarming gaat brengen.(18) Hij stelt bovendien dat het effect van trage terugkoppeling door het IPCC-rapport schromelijk is onderschat.(19) Waar het IPCC-rapport een opwarming van 3 graden voorspelt, mogen we er ťťn van 6 graden verwachten!
In lezingen en interviews zegt Hansen ronduit dat we regelrecht op de afgrond aankoersen en dat we om enige zekerheid te hebben, snel terug moeten in het kooldioxidegehalte van de atmosfeer: van 387 ppm nu naar ten hoogste 350 ppm. Alleen dan is de kans op een uit de hand lopende klimaatverandering klein.(20)

Drastische klimaatverandering is zeer dichtbij.

De drie klimaatstanden van Gaia
Het klimaat van Gaia kent drie standen. De eerste is de ijstijd. De tweede is ons vertrouwde klimaat. De derde stand is 5 graden warmer. Het zijn evenwichtsstanden waarbij de overgang niet geleidelijk gaat (zoals het IPCC suggereert) maar plotseling. De overgang kan in enkele maanden zijn beslag krijgen.
Dat is de visie van James Lovelock in zijn 'laatste waarschuwing': The Vanishing Face of Gaia (Allen Lane, 2009). Waar komt dit verschil in visie met het IPCC vandaan, vraagt Lovelock zich af. Dat zit hem, denkt hij, in de klimaatmodellen die het klimaat op de langere termijn voorspellen, bijvoorbeeld tot 2050. Die kunnen dat niet. De werkelijkheid, zo zien we, volgt de modellen niet, maar de politiek volgt (met vertraging) wel de modellen.
Wat is een goede maatstaf?
Kijk naar hoeveel extra zonnewarmte de aarde opneemt. Dat uit zich het duidelijkst in de zeespiegelstijging, omdat op een warmer wordende aarde de zee uitzet. De zeespiegelstijging is daarom de thermometer die de opwarming registreert. En wat zien we? Het gaat harder dan in de modellen; dat is een teken aan de wand.
Een tweede teken aan de wand is het ijs aan de Noordpool. Weinig mensen beseffen wat voor een gigantische energieswitch daar gaande is. Smelten kost zoveel energie dat straks - als het ijs verdwenen is - al die energie in het donkere, onbedekte water zelf gaat zitten. Dat warmt dan enorm op. Deze extra warmteopname van de zee voegt, aldus Lovelock, bijna 70 procent toe aan de opwarming die alle kooldioxide momenteel al veroorzaakt.
Het derde teken aan de wand is de afname van algengroei in de oceanen. Algengroei heeft een afkoelend effect, dus leveren algenwoestijnen een positieve terugkoppeling.
De geofysica van IPCC-wetenschappers neemt het klimaat voornamelijk als een natuurkundige eenheid. Dat is al moeilijk genoeg. De rol van levende organismen komt er nog amper aan te pas. Geofysiologie, de Gaia-wetenschap, zet de organismen centraal. Levende organismen houden de zaak in evenwicht. Dat heeft onverwachte gevolgen. Micro-organismen die in dat evenwicht vandaag onze bondgenoten zijn, kunnen morgen onze vijanden zijn. Want niet de mens is de spil, maar Gaia, de levende aarde als geheel.
De aarde als dynamisch (levend), interactief systeem krijgt volgens Lovelock een heel ander klimaatverloop dan het IPCC voorspelt. Hij laat dat zien met een eenvoudig model van een aarde met twee ecosystemen: planten op het land en algen in zee. De temperatuur en de planten- en algengroei staan in een dynamisch evenwicht, en dat bepaalt het kooldioxidegehalve en de wolken in de atmosfeer. Geofysica en biologie zijn even belangrijk in dit model. De natuurkunde maakt bijvoorbeeld dat warm oppervlaktewater (12 graden) in de oceaan als een deksel op koeler water ligt. Dit onthoudt de algen de voedingsstoffen om te groeien. (Algen gedijen juist in koud water.) En op het land verdampt regenwater boven de 24 graden, waardoor het land tussen de buien door verdroogt.
Wat gebeurt er als de kooldioxide toeneemt? Eerst verandert de temperatuur slechts lichtjes, want negatieve terugkoppelingen bewaren het evenwicht. Maar bij 400 ppm verschijnen tekenen van instabiliteit. Dit uit zich in kleine temperatuurschommelingen.
Bedenk dat dynamische, zelfregelende systemen, zoals de aarde, als ze voldoende onder spanning komen, van stabiliserende negatieve terugkoppeling overgaan naar destabiliserende positieve terugkoppeling. Ze worden dan aandrijvers van verandering. Aandrijvers maken geven onderscheid tussen opwarmen of afkoelen. Een kleine opwarming kan daarom een groter dan verwacht gevolg hebben en dat gevolg kan ook een temperatuurdaling zijn.
Dan, tussen 400 en 500 ppm kooldioxide, veroorzaakt een geringe toename van warmte of kooldioxide plotseling een temperatuurstijging van 5 graden. Daarna stabiliseert het model en weerstaat verdere toename van kooldioxide.
Er is anno 2009 royaal meer dan 400 ppm broeikasgas in de atmosfeer want bij de 390 ppm kooldioxide moeten de aanwezige methaan, stikstofoxide en CFC's opgeteld worden. Het gezamenlijk effect ligt waarschijnlijk in de buurt van de 430 ppm.
In dit eenvoudige model werkt de verhouding tussen klimaat en broeikasgastoename non-lineair, dat wil zeggen met horten en stoten, terwijl de IPCC-modellen van het klimaat met een lineaire verhouding werken. Bij het IPCC levert een beetje meer kooldioxide een beetje temperatuurstijging op. Bij Lovelock eindigt het in een plotselinge sprong in temperatuur. Vlak voor de sprong gaat de temperatuur heftig zowel op als neer. Eťn of meer koele zomers is dan geen gunstig teken, maar juist een voorbode van een ramp.

Behalve de uitkomsten van dit model, ziet Lovelock meer punten die hem doen twijfelen aan de wijsheid om de consensus van het IPCC te vertalen in lange-termijnbeleid.
Het afkoelende effect van minieme deeltjes in de atmosfeer, aerosolen, is momenteel groot. Ze zijn grotendeels afkomstig van verkeer, industrie en landbouw, steeds meer van de nieuwe (China) dan van de oude (West-Europa) industrielanden. Aerosolen zijn slecht voor de gezondheid. Maar uitbannen ervan doet de temperatuur verder stijgen. Misschien slechts een beetje, misschien veel - de wisselwerking van de vele factoren is moeilijk te begrijpen. De economische crisis gaat in dit opzicht misschien al voor een meetbaar effect zorgen: minder economische activiteit geeft minder aerosolen, en dus minder demping van de temperatuurstijging tengevolge van de kooldioxide.
Lovelock bekijkt vervolgens het bos als constant veranderende grootheid in de factoren die het klimaat bepalen. Een bos is een bos, denken veel klimatologen. Ze negeren dat bomen leven en hun temperatuur actief reguleren. Een bladtemperatuur van 21 graden is (overal) optimaal voor de fotosynthese. De boom handhaaft die temperatuur zoveel mogelijk met transpiratie door verdamping. Elk gram water dat de boom verdampt haalt 600 calorieŽn warmte weg. Een bos bij ons is in staat een oppervlaktetemperatuur vast te houden die 40 graden koeler is dan van een niet-levend oppervlakte van dezelfde kleur. Op de schaal van het Amazonegebied of SiberiŽ heeft dit reguleren een enorm effect op het regionale klimaat. Zou het bos 'wegsmelten' (en dat is voorspeld voor het Amazonegebied - zie De laatste generatie van Fred Pearce en Zes graden van Mark Lynas) dan zal de woestijn die ervoor in de plaats komt, bijna letterlijk een brandhaard op aarde zijn.
Het IPCC heeft volgens Lovelock gelijk als het zegt dat het duizenden jaren kost om de schade die we toebrengen aan het klimaat, ongedaan te maken. En dat onze beschaving dat dus niet meer zal meemaken. Het is ook zo dat de reactietijd van de aarde op kooldioxideverandering in de orde van 100 jaar ligt. Wat inhoudt dat onze kinderen de gevolgen van ons huidige handelen zullen ervaren. Maar het IPCC zit fout als het denkt dat klimaatverandering niet zeer snel kan gaan. Aerosolen in de atmosfeer, sneeuw- en ijsweerkaatsing, ecosysteemreactie en het handelen van mensen, elk hiervan kan voelbare klimaatverandering veroorzaken in een bestek van enkele maanden. Als de vele verschillende positieve en negatieve reacties gaan samenvallen, kan het hele systeem aarde snel met tot wel 5 graden opwarmen of afkoelen. Als je dat snapt, doe je toch geen voorspellingen voor vijftig jaar vooruit? Dat is, zegt Lovelock, geen gezonde basis voor beleid. Het is zijn laatste waarschuwing.

We spelen met ons leven, want in een wereld die 5 graden warmer is, kan onze maatschappij niet voortbestaan.

Over straffe maatregelen en kansberekening
Teruggaan in het kooldioxidegehalte van de atmosfeer. De enormiteit hiervan dringt tot je door als je nagaat wat dit inhoudt. Elke liter olie, elke kubieke meter gas en elke ton kolen die nu ergens op aarde verbrand wordt, moet feitelijk gecompenseerd worden door groei van organisch materiaal dat we vervolgens in een of andere vorm voor de 'eeuwigheid' weten op te slaan. Dat kan bijvoorbeeld door in elektriciteitscentrales biomassa te verbranden en de kooldioxide die dat oplevert af te vangen en zodanig onder de grond te stoppen dat deze ook onder de grond blijft.(21) Maar in het licht van ons huidige verbruik van fossiele brandstoffen is de schaal waarop dit moet gebeuren, volstrekt onhaalbaar. Daarvoor zijn heel wat extra aardbollen nodig. We gebruiken nu wereldwijd aan olie alleen, al ruim 80 miljoen vaten per dag!(22)
De groei van het kooldioxidegehalte is de laatste jaren boven de 2 ppm per jaar uitgekomen.(23) Dat is ongekend hoog: het komt uit boven het allerhoogste groeiscenario van het IPCC. We moeten dus van boven het hoogst denkbare groeiscenario tot ver onder het allerlaagste groeiscenario zakken. En dan maar hopen dat de oceanen nog even niet verzadigd raken en door hun opname een blijvend overschot aan kooldioxide tengevolge van ons brandstoffenverbruik mogelijk maken.
Hoe radicaal we het verbranden van fossiele brandstoffen moeten verminderen, zie je aan het getal voor Nederland of Vlaanderen: minstens 90% minder dan nu op zeer korte termijn. Dat is politiek moeilijk te verkopen. Het moet gezegd: dat kunnen we onszelf verwijten. Wijzelf willen het niet weten. Wijzelf willen ons leven niet veranderen.(24)
Toch is er iets raars aan de hand. Stel dat de kans dat Hansen gelijk heeft slechts 1% is. Zou er zo'n kans zijn op brand in een woning, of op welk ander gevaar dat u maar kunt verzinnen, dan zou de overheid direct op de stoep staan. Bij onomkeerbare klimaatverandering is de kans misschien al 10% en de overheid doet praktisch niets.(25)
Het begrip risico gedefinieerd als kans x gevolg is hier bijzonder nuttig. Bij kernenergie is het argument dat de kans op een catastrofaal ongeluk, zoals bij Tsjernobyl, misschien wel erg klein is, maar dat de gevolgen buitengewoon ernstig zijn. Het risico bij zo'n kleine kans is door het grote gevolg dan toch groot. Daarom kan maar beter van kernergie-opwekking worden afgezien.(26)
In het geval van klimaatverandering zetten we de toekomst van de hele planeet op het spel. Dat is nog eens een gevolg! Een kans daarop van 1% accepteren is al gekkenwerk, en wij doen bij een kans die nu al (veel) groter is, of er niets aan de hand is.

We nemen onverantwoorde risico's.


Oplossingen en hun beperkingen
Onze regering is natuurlijk voor duurzame energie en energiebesparing. Maar daarvoor hebben we geen masterplan, geen gedeelde filosofie.(27) Waaraan ik daarbij denk, wordt allengs duidelijker in deze inleiding.
Voor we toe zijn aan de winning van duurzame energie moet eerst heel veel gangbare energie worden geÔnvesteerd in alleen al voor Nederland en Vlaanderen de volgende zaken: het bouwen van minstens tienduizend reuzenmolens op zee en miljoenen vierkante meters zonnespiegels in de Sahara,(28) het opzetten van energiedecentralisering in een nieuw slim netwerk waar verschillende vormen van duurzame energievoorziening worden gebundeld zodat bij falen van de ťťn een ander het gat kan vullen en lokaal niet alleen afgetapt maar ook gevoed kan worden (het smart grid), plus een nieuw continentaal netwerk van verliesarme hoogspanningskabels met gelijkstroom dat reikt tot in Noord-Afrika en het Midden-Oosten (het supergrid), en zo nog het een en ander. Willen we ons woningbestand echt isoleren, dan kost ook dat veel gangbare energie (omdat de duurzame energiecapaciteit ervoor nog niet voorhanden is). Enzovoort, enzovoort.
Het lijkt de regering te ontbreken aan begrip over wat energie eigenlijk is en wat Energy Return On Investment (EROI) precies betekent. (Zie over EROI het Aanhangsel onderaan.)
Intussen woedt de financiŽle crisis. Die zal de ongelijkheid tussen rijk en arm doen toenemen, al moeten sommigen van de allerrijksten een flinke veer laten; die laat de spanningen tussen landen oplopen doordat de fossiele energie, water, en voedsel ongelijk verdeeld is over de wereld (Klaere); die doet de kans op voedseltekorten en dus honger in de wereld toenemen;(29) en de financiŽle crisis kan overal chaos veroorzaken als klimaatverandering of schaarste daarbovenop echt toeslaat.

We missen een gedeelde filosofie over waar we naartoe moeten.

Triple Crunch en meer
In Engeland heeft een groep onafhankelijke deskundigen in de zomer van 2008 het rapport A Green New Deal gepubliceerd. De bijlagen 1 en 2 zijn daaruit overgenomen. Het rapport gaat over drie crises, waarbij de derde de kredietcrisis is. Zij noemen de drie samen de Triple Crunch. Wij moeten min of meer tegelijk drie crises bestrijden. Dat kan alleen maar als je ze niet afzonderlijk maar gecoŲrdineerd aanpakt.
De kredietcrisis valt buiten het kader van dit boek, maar het is noodzakelijk toch iets over die abstracte onderwerpen 'economie' en 'ecologie' te zeggen. Om te beginnen over de manier waarop de economie werkt in de ogen van politici. Ik volg daarbij Thomas Homer-Dixon (van wiens hand ook het Aanhangsel is).
Wij voelen ons vervreemd en ongelukkig en daarom kopen we spullen. Als we genoeg spullen kopen, groeit de economie. Als de economie genoeg groeit, worden er banen geschapen voor degenen die tengevolge van hogere efficiency hun banen verliezen. En als er genoeg nieuwe banen bijkomen, is er weer genoeg economische vraag om de economie aan de gang te houden en om verscheurende politieke conflicten te voorkomen. De stabiliteit van het moderne kapitalisme - dat steeds meer de stabiliteit is van de economie wereldwijd - vereist het opwekken van materiŽle ontevredenheid, voortdurend groeiende privťconsumptie en de gestadige groei die deze consumptie voortbrengt.(30)
Dat groeiproces valt niet te rijmen met de matiging die de klimaatverandering vereist en het zal hard in botsing komen met plotselinge olietekorten.(31)
De kosten van het kapitalisme op wereldschaal zijn intussen simpelweg te hoog geworden. We moeten een andere remedie vinden tegen sociale onrust die voortkomt uit groeiende werkeloosheid tengevolge van hogere arbeidsproductiviteit. Die stijgende arbeidsproductiviteit leidt tot onvoldoende vraag en dat herbergt het gevaar van onrust in zich die in het ergste geval kan uitmonden in een of andere vorm van revolutie.(32) Het is begrijpelijk dat politici hier bang voor zijn en economische groei willen stimuleren, maar het kan niet langer. De grens is bereikt.
De zittende politici zijn gevangen in het groeiparadigma. Zij kunnen zich er niet van losmaken. Vandaar dat het overheidsbeleid niet deugt. Dat de mens slim genoeg is om ieder probleem dat zich voordoet, ook op te lossen, is een vaak gehoorde uitvlucht. Mark Lynas merkt terecht op: We zijn het erover eens dat de huidige technologie volstaat, waarom gebeurt er dan niets? Er moet nog iets anders aan de hand zijn.
De oude middelen en methoden zijn de verkeerde en al het overheidsbeleid dat daarop blijft variŽren, bouwt de mislukking in. En we kunnen ons het tijdverlies daarvan niet permitteren. We moeten een nieuwe economie uitvinden. Hoe die eruit ziet kunnen we nu nog niet weten. Maar het energieverbruik zal er veel lager zijn, de productie lokaler en het geldsysteem anders. Dat is zeker.

Handwerk moet energieslurpende technologie vervangen.


De rol van energie in economische groei
Economen begrijpen het belang van olie niet. Maar dat ze er decennia lang genoegen mee namen zelfs economische groei niet fatsoenlijk te kunnen verklaren, is toch wel verbijsterend. (Deze paragraaf is ontleend aan Strahan.)
In 1956 publiceerde de eminente Amerikaanse econoom Robert Solow een artikel waarin hij de basis legde voor wat nu het standaardmodel voor de verklaring van economische groei is. Hij kreeg er de nobelprijs voor, maar achteraf beschouwd had Hubbert, in 1956 de ontdekker van peakoil, die meer verdiend.
Solow geloofde dat economische groei verklaard werd met het relatieve belang dat de factoren arbeid en kapitaal speelden in de nationale rekeningen. Lonen vertegenwoordigden toen in de VS zo'n 70% van al het geld dat omging in de economie, en kapitaal (dividend, rente e.d.) was goed voor 30%. Dus leverde elke procent verhoging van de arbeidsinzet (meer arbeiders of langere werkuren) een stijging van de economische productie van 0,7% op. Terwijl ieder procent aan toename van kapitaalinzet 0,3% meer economische productie opleverde.
Zo'n model test je aan resultaten behaald in het verleden. Maar de uitkomst voor de VS van het Solow-model bleef ver achter bij de werkelijke groei van het Bruto Nationaal Product (BNP). Niemand vroeg zich af waardoor het verschil verklaard kon worden, zo tevreden was men blijkbaar met dit model. Het verschil werd eenvoudig het `Solow-restant' genoemd. `Nogal niet een restant,' smaalt Strahan. Het restant is hier de hoofdzaak, dat leert een blik op de grafiek. Technologie werd vervolgens jarenlang gebruikt om alle verschillen mee te dekken. Niemand dacht aan energie als verklarende factor.
Tot fysici in de gaten kregen hoe weinig waarde economen aan energie hechtten. `Als een invloedrijke discipline als economie de eerste en tweede wet van de thermodynamica (zie het Aanhangsel) negeert, wetten die toch het gestel van ons heelal vormen,' zei de Duitse fysicus Reiner KŁmmel, `dan moet dat worden rechtgezet.'
De fout van Solow, realiseerde KŁmmel zich, is dat het belang van energie in de economie slechts werd weergegeven door het bedrag dat eraan werd uitgegeven. Dat was gemiddeld meestal 5% van het BNP. Dus veronderstelde het Solow-model dat een toename van het energieverbruik van 1% de economische productie met slechts 0,05% doet toenemen. Maar hoe kon zo'n geringe factor in de verste verte ook maar het belang weergeven van energie in het algemeen en olie in het bijzonder? Als problemen met olie een land in een week op de knieŽn krijgen, moet dit toch een absurde onderschatting zijn van de werkelijke rol van energie in de economie?
Behalve KŁmmel, boog ook een andere fysicus, Robert Ayres, zich over dit probleem.(33) Zij vonden dat energie vrijwel precies het hele gat van het Solow-restant opvult, vooral als je het vertaalt in vooruitgang in thermodynamisch rendement. (Rifkin.) Het is dus het energieverbruik en de winst in de productiviteit ervan die ons de welvaart van na de oorlog gebracht heeft. En vice versa zullen het olieschaarste en een lage EROI (zie bijlage 3) zijn die onze welvaart gaan aantasten.
Deze ontdekking, gepubliceerd in 2001 (Hall, KŁmmel et al) en in 2004 (Ayres & Warr), is - vindt KŁmmel - van dezelfde orde als de ontdekking dat de aarde om de zon draait en niet andersom. De meeste politici en economen hebben dit nog niet meegekregen en leveren dus slecht beleid.

Energie als aanjager van economische groei heeft zijn langste tijd gehad.


Laat de economen het niet bepalen
We zijn nog steeds niet klaar met dat rare volkje, dat zich economen noemt. We gaan het nu hebben over het nut van energiebesparing. Als Nederland of Vlaanderen energie bespaart, moeten we niet denken dat we daarmee iets tegen de klimaatverandering doen. William Stanley Jevons schreef in 1866: `Wie veronderstelt dat zuiniger brandstofverbruik overeenkomt met lagere consumptie, is helemaal in de war. Het omgekeerde is het geval.' Het is Jevons' beroemde boemerang-effect.
De econoom Herman Daley legt uit hoe dat zit: Als we zuiniger autorijden, gaan we verder rijden, want het is goedkoper. Of we besparen geld. Wat doen we daar dan mee? Een vliegreisje boeken? Een tweede huis kopen? Investeren in kernenergie of ethanolproductie? We kunnen beter onze zonden opbiechten bij een psychiater want een luisterend oor gebruikt weinig energie. Tja, maar helpt dat de psychiater niet aan een vliegreis of tweede huis? Jevons heeft ons te pakken. Nogmaals: `Wie veronderstelt dat zuiniger brandstofverbruik overeenkomt met lagere consumptie, is helemaal in de war. Het omgekeerde is het geval.'
Onze energiepolitiek draait helemaal om energiebesparing, niet om een duurzaam plafond aan onze consumptie. Wie denkt dat efficiŽnt energieverbruik gelijk is aan, of leidt tot, een duurzaam plafond aan energieverbruik is helemaal in de war. Nodig is eerst matigheid(34) en pas daarna efficiency, niet omgekeerd. Efficiency is aanpassing die schaarste draaglijk moet maken. Het is niet het uitbannen van schaarste, iets wat politici zo graag een `win-win-oplossing' noemen.
De tweede fout is ons geloof in het Bruto Nationaal Product (BNP). Er is veel bewijs dat groei van het BNP vandaag de dag in feite oneconomische groei is geworden. Dat wil zeggen, groei die de sociale en milieukosten sneller doet groeien dan de productievoordelen; groei dus die de `helvaart' sneller doet groeien dan de welvaart.
Wij zijn in ťťn mensenleeftijd overgegaan van een wereld die relatief vrij was van ons en onze spullen, naar een wereld die relatief vol is van ons en onze spullen: driemaal zoveel mensen en vele malen meer auto's, huizen, vee, ijskasten, tv's, enz. Naarmate we natuurlijk kapitaal omzetten in mensenspul, wordt het eerste schaarser en `menselijk kapitaal' (manmade capital) overvloediger. Dit is een omkering van het traditionele schaarstepatroon. Deze omkering wordt nog bevorderd doordat menselijk kapitaal vaak privťbezit is, terwijl natuurlijk kapitaal veelvuldig gemeenschapsgoed is waartoe iedereen zomaar toegang heeft.,br> In de oude, lege wereldeconomie was menselijk kapitaal de beperkende factor. In de nieuwe, volle wereld is het overgebleven natuurlijk kapitaal de beperkende factor. Bijvoorbeeld, de jaarlijkse visvangst werd ooit beperkt door het aantal vissersboten; nu door de overgebleven visscholen in de oceaan en het tempo waarin zij zich kunnen voortplanten. De oliewinning werd ooit beperkt door de beschikbare boren en pompen; nu door de restanten olie die nog in de grond zitten, of ook door de hoeveelheid kooldioxide die de atmosfeer en de oceanen aankunnen. Het lijkt op een race tussen peakoil en opwarming, tussen productiegrenzen en afvalstofputten, maar beide zijn natuurlijk kapitaal, dus het doet er hier niet toe welke de meest beperkende factor is. De economische logica blijft gelijk. Deze zegt: investeer in en verbeter de beperkende factor. Maar de identiteit van de beperkende factor is veranderd en wij hebben ons niet aangepast. Wij blijven investeren in menselijk kapitaal, in plaats van in het herstel van het natuurlijk kapitaal. Zo putten we het natuurlijk kapitaal verder uit en verlagen we uiteindelijk de waarde van het complementaire menselijk kapitaal, terwijl we overal externe kosten uitspuwen alsof het niets kost.
Gangbare economen zien dit probleeem helemaal niet omdat ze menselijk kapitaal en natuurlijk kapitaal als inwisselbaar beschouwen, in plaats van als complementair. Bij inwisselbaarheid bestaat er geen beperkende factor, dus zien ze het schaarste-versterkende feit van de beperktheid over het hoofd. Ze negeren de eerste wet van de thermodynamica, al is het maar omdat die groei afremt, wat vanzelfsprekend ongewenst is.
Er is behalve deze gigantische fout aan de aanbodzijde, ook nog een gigantische fout aan de vraagzijde, namelijk dat men het feit niet kan accepteren dat voorbij een bepaalde grens aan het absolute inkomen, welvaart of zelf-bepaald geluk een functie wordt van relatief in plaats van absoluut inkomen.(35) Omdat het per definitie onmogelijk is ieders relatieve inkomen te doen stijgen, wordt verdere absolute groei in BNP een zichzelf-tenietdoende wapenwedloop.

We moeten het natuurlijk kapitaal beschermen door de toegang ertoe te beperken.


Ecosystemen
Na de economie nu de ecologie. Dat ecologische wetten harde wetten zijn, natuurwetten, hebben we tot nu toe geheel genegeerd. Om te begrijpen welke beperkingen de natuur ons oplegt, moeten we ons verdiepen in de ecologie. Dat doe ik aan de hand van de Panarchie-theorie van de ecoloog Crawford 'Buzz' Holling en zijn collega's.(36)
Neem een beginnend bos in gedachten. In het begin, als organismen arriveren en een plekje innemen, groeit het aantal soorten en exemplaren van planten en dieren snel. De biomassa groeit, de stromen energie, materialen en genetische informatie groeien, en het aantal knooppunten in het complexer wordende netwerk groeit. Het ecosysteem 'accumuleert kapitaal'. Het potentieel om met onverwachte ontwikkelingen om te gaan neemt daarmee toe.
Het bos wordt een steeds dichter verknoopt netwerk dat steeds beter in staat is om 'voor zichzelf te zorgen'. Het regelt zijn voedselvoorziening beter, onder andere door op steeds meer plaatsen stikstof te binden; het zorgt voor negatieve terugkoppelingen om de verschillende componenten van het systeem - temperatuur, regenval, de concentratie van chemische stoffen - onder controle te houden.
Naarmate het bos verder evolueert - rijper wordt -, raakt het steeds diverser en fijner afgesteld. Daaraan moet op een gegeven moment een einde komen. Die ontwikkeling kan niet eindeloos doorgaan. Voor nieuwe soorten zijn er minder plekken om in te nemen omdat de grote variŽteit aan bestaande soorten al zo divers, zo gespecialiseerd is. Er is sprake van een afnemende meeropbrengst.(37) In essentie wordt het systeem minder veerkrachtig. Het wordt star en bros.
De aanpassing aan specifieke omstandigheden is zo ver doorgevoerd, dat het systeem zich geen raad weet als een schok van buiten die omstandigheden op zijn kop zet. Doordat het zo verknoopt is, snelt zo'n schok razendsnel door het systeem.
Je kunt, zegt Buzz Holling, drie aspecten onderscheiden: het potentieel, de verbondenheid en de veerkracht. Die hebben een bijzondere wisselwerking. We zagen dat als de eerste twee groeien, de veerkracht daalt. Op een gegeven moment kan bijvoorbeeld een brand een bos ruÔneren. Het ecosysteem verliest dan soorten, biomassa en veel van haar verbondenheid en zelfregulering.
Maar voor de gezondheid van het ecosysteem in zijn algemeenheid kan brand een heel gezonde gebeurtenis zijn. Het schept letterlijk en figuurlijk ruimte. Ruimte voor nieuwe soorten en nieuwe verbanden. Het maakt ruimte voor het enorme potentieel van creativiteit van het rijke ecosysteem. Het is alsof iemand alle overgebleven planten- en diersoorten, voedingsstoffen, energiestromen en genetische variŽteit in een enorme kom gooit en die grondig door elkaar schudt. Soorten die eerst marginaal waren, treden nu op de voorgrond. Mutaties die eerst een plaag waren, kunnen nu een zegen blijken.
In een plotseling veel lagere verbondenheid is het systeem juist veerkrachtig en schokbestendig. Het bos reorganiseert en regenereert zichzelf, het vindt zichzelf opnieuw uit en begint weer aan het groeiproces waarmee deze paragraaf begon, maar met een ander resultaat. De uitersten groei en stabiliteit aan de ene kant en verandering en gevarieerdheid aan de andere kant zijn zo in ťťn cyclus verenigd.
Dit gaat in principe goed zolang de omstandigheden op een hoger niveau onveranderd blijven. Als na een brand de regenval normaal blijft, krijgt het bos de kans te regenereren. Is er tegelijk een periode van extreme droogte, dan heeft het bos een probleem.
We moeten dus inzien dat vanaf het kleinste kluitje grond met zijn bacteriŽn tot op de schaal van de planeet er vele niveau's van ecosystemen zijn. Geen enkele aanpassingscyclus, zoals hier beschreven, treedt geÔsoleerd op. Hij zit ingeklemd tussen andere cycli op hoger en lager niveau. Dat maakt het allemaal nogal complex. Vooral gevaarlijk is als de cycli op verschillende niveaus tegelijk in crisis raken, instorten en weer overeind moeten krabbelen. Dan zitten ze elkaar in de weg en de gevolgen kunnen catastrofaal zijn. Als ze bovendien lange tijd de kans hebben gehad in complexiteit te groeien, storten ze des dieper naar beneden en maakt dat het nog erger.(38)Dit zijn we bezig over ons af te roepen met onze talloze ingrepen in natuurlijke systemen vandaag de dag.
Deze Panarchie-theorie van Buzz Holling en zijn groep is ook van nut voor de maatschappij, want die heeft in sommige opzichten wel wat weg van ecosystemen. Met de toenemende complexiteit is onze samenleving star en bros geworden (al hebben we dat zelf nog niet zo door). De uitwerking die de drie aspecten 'potentieel', 'verbondenheid' en 'veerkracht' op elkaar hebben, maakt het mogelijk de vinger beter op de zere plekken te leggen.
Holling gelooft dat we afstevenen op een systeemcrisis van onze maatschappij. En wel om drie redenen. Allereerst omdat zijn theorie geldt voor alle complexe systemen die door de tijd evolueren. Instorten hoort er gewoon bij. Ten tweede maakt de toegenomen economische en technologische verbondenheid het risico van een diepe val steeds groter. Wie zich daarvan een voorstelling wil maken, zegt Holling, kan de instorting van het World Trade Center in New York op 9/11 in gedachten nemen. Maar: in een systeem met veel verbanden, hoeft de instorting niet bovenin te beginnen. Een zetje op een klein plekje kan al een kettingreactie teweegbrengen. Juist het feit dat we als mensheid vele crises tegelijk laten oplopen,(39) vergroot het gevaar van een gecombineerde piek en een elkaar versterkende val. Ten derde kunnen we met megaterrorisme, oorlogen om water of olie en dergelijke onze eigen ondergang een handje helpen.

We moeten onze samenleving eens vergelijken met een (on)gezond ecosysteem.


De psychologie van de verandering
Hoe reageren wij op de enorme verschuiving van volop beschikbare energie naar schaarste en van een betrouwbaar klimaat naar een rampzalig klimaat, als wij er voor het eerst over horen? Richard Heinberg is een bekende auteur op het gebied van de komende oliecrisis. Hij haalt in een artikel over de psychologie van peakoil en klimaatverandering de bekende Zwitserse psychiater Elisabeth KŁbler-Ross aan, die een model presenteerde van opeenvolgende fases bij diep verdriet of verlies: 1) ontkenning, 2) protest of boosheid, 3) onderhandelen en vechten, 4) depressie en tenslotte 5) aanvaarding. Dit is een model voor een proces van rouwverwerking: het accepteren van wat niet ongedaan gemaakt kan worden. In ons geval zou daar een zesde fase achteraan moeten komen, zegt Heinberg, die van 6) actie. Want wij kunnen er nog wel iets aan doen. Wie aan de slag gaat met het gezamenlijk opzetten van lokale voedselvoorziening, autodelen, energiebesparen, lokaal bedrijfsleven, enz. kan over de somberheid van de situatie heenstappen en met een lach op het gezicht bezig zijn. Dit fenomeen is misschien de sleutel tot verandering.
Even een klein uitstapje naar het begrip geluk. Sinds de jaren '50 van de vorige eeuw zijn we niet gelukkiger geworden. Onderzoek wijst uit dat we gelukkiger worden totdat we een (matig) inkomen bereiken dat onze meest basale behoeften zeker stelt. Een hoger inkomen maakt ons verder niet gelukkiger. (Easterlin) Sinds we decennia geleden deze gelukspiek bereikten is er maatschappelijk heel veel veranderd. Ons gezinsleven is uitgehold, de band met de buurt is geŽrodeerd. We zijn extreem individualistisch geworden en van de weeromstuit voelen we ons chronisch onzeker. We hebben het gevoel dat deze samenleving eisen stelt waaraan we niet kunnen voldoen. We weten niet wat we moeten kiezen uit het enorme consumptie-aanbod. De reactie daarop uit zich onder andere in overgewicht, extreme magerte en het slikken van massa's slaap- en kalmeringspillen. Wat we verloren hebben, is wat ons echt voldoening geeft. We willen liefhebbende gezinsleden en vrienden, hartelijke buren, waardering voor ons werk en een gevoel van veiligheid voor rampzalige dreiging van buitenaf.
Van de overheid komt het niet. Maar er is wel een oplossing. We kunnen op lokaal niveau zelf het heft in handen nemen en door gezamenlijk te zoeken naar weerbaarheid tegen een oliecrisis en een klimaatramp onze sociale contacten, waardering en solidariteit terugkrijgen: de actie van Heinberg. Dit gebeurt dan ook. Het levert de beweging op van de Transition Towns die in het Verenigd Koninkrijk is gestart en waarmee inmiddels ook in Nederland en BelgiŽ een begin is gemaakt.(40)
Wat betreft het lokale niveau laat ik het hierbij. Dit komt elders ruim aan bod. (Hopkins. Brangwyn) Op internationaal niveau moet op ťťn of andere manier met `Contraction & Convergence' zowel de ongelijkheid in als de omvang van het energieverbruik worden aangepakt.(41) Of, als je met peakoil-bril kijkt, met het Oil Depletion Protocol. Het verbruik als geheel moet omlaag, maar tegelijk moeten de verschillen tussen landen en gebruikersgroepen worden bijgesteld, zodat tenslotte voor iedere wereldburger een gelijke portie van de straks oh zo schaarse energie beschikbaar komt. Alleen dan is er een 'duurzame' basis tussen de volken van de wereld om het gedeelde milieu (de commons) gezamenlijk te beheren.(42)
Behalve op lokaal en internationaal niveau zijn ook op nationaal niveau fundamentele veranderingen nodig.

Lokale Transitie is het begin.

Kyoto-Kopenhagen
Eind 2009 moet in Kopenhagen een vervolg op het Kyoto-verdrag worden afgesloten. In de aanloop daarnaartoe onderhandelden de EU-landen over de invulling van het plan van 20% kooldioxide-reductie in 2020.(43) De Duitse angst dat bij een slapper akkoord in Kopenhagen haar industrie straks de dupe zal worden, is ondervangen doordat dan een aanpassing zal plaatsvinden. Het komt er kennelijk op neer dat de emissierechten voorlopig gratis zijn. Ik vind het resultaat teleurstellend. Zulk afremmen in plaats van vooruitsnellen als van Duitsland is inherent aan onderhandelingen met vele partijen en vele belangen. In het licht van de radicale breuk die we moeten maken met het energieverbruik, lijkt Kopenhagen daarom gedoemd te mislukken. Let wel, een kopie van het Europese plan voor de wereld zou historisch bezien een revolutionair pakket zijn, maar in het licht van de ernst van de klimaatcrisis is het te weinig, te laat.v Na onderhandelen komt het realiseren van de afspraken en het handhaven van de regels. Daar ligt een tweede mislukking op de loer. Het zou de moeite waard zijn het verdrag en de uitvoering ervan eens te analyseren in het licht van de visie dat handel en bestuur twee stelsels zijn, met ieder een apart waardenpatroon. (Jacobs) Het bedrijfsleven (de 'handel') kan niet besturen, en de overheid (het 'bestuur') kan niet handelen. Dit is de reden waarom het inbrengen van marktwerking in het bestuur gedoemd is te mislukken. De onderhandelingsresultaten van Kopenhagen zullen ook het bestuur verplichten te bezuinigen op zijn energieverbruik. Wordt daarmee het bestuur gedwongen in de huid van de handel te kruipen? In dat geval moeten we het ergste vrezen. En krijgt het bestuur een dubbelrol van besparen en handhaven, ofwel van iemand die zichzelf moet controleren op de eigen uitvoering van de regels?v Voor de kant van de handel krijgen we wellicht een geval van de 'tragedie van het gemeenschapsgoed'. (Hardin) Iedere speler zal proberen er onderuit te komen en dit individueel rationele gedrag gaat ten koste van het algemeen belang.
Als je het vergelijkt met wielrennen is er nu sprake van een gesloten peloton waar iedereen probeert het tempo te drukken. Wat we nodig hebben is een ontsnapping, waar iedereen achteraan gaat jagen. Dat kan met een land dat de internationale onderhandelingen laat voor wat ze zijn en het plan van Fleming met een grote krimp ten uitvoer brengt. Dat land zal wegspringen uit de meute en kan een voorbeeld worden voor de rest. Kan Nederland zo'n gidsland zijn? Of Vlaanderen?

Liever Klimaatdukaten dan emissierechten.


Is een klimaatwet de oplossing?
Op veel plaatsen worden mensen actief. Juist bij peakoil en klimaatverandering bestaan er dan kansen op onderlinge misverstanden, maar ook op extra stimulansen. Waar klimaatverandering van doen heeft met het milieu en toekomstige generaties, heeft peakoil te maken met de onmiddellijke kwetsbaarheid van onze samenleving. Klimaatverandering is zogezegd een probleem van de uitlaat, peakoil een probleem van de tank. Het is goed als degenen die zich met deze problemen bezighouden, in de gaten hebben dat ze vaak op verschillende sporen zitten. Wat ze willen is deels overlappend, maar deels ook strijdig met elkaar. Zie hierover bijlage 5.
De Hier-coalitie in Nederland heeft ingezet op een klimaatwet.(44) De klimaatwet moet de overheid binden aan haar beleid, ook als een toekomstig kabinet een andere politieke samenstelling heeft. Zo'n wet biedt de zekerheid van een jaarlijkse vermindering van de kooldioxide-uitstoot, is de gedachte. Op deze hoop valt wel wat af te dingen.v Allereerst moet de wet niet alleen aangenomen worden,(45) de inhoud ervan moet ook de noodzakelijke scherpte krijgen: 5% besparing op fossiele brandstoffen per jaar.(46) (Monbiot. Simms) De Hier-coalitie mikt op een lager percentage, maar ook daar wil geen kabinet, van welke signatuur ook, momenteel aan. Overigens is die 5% ook de invulling die volgens mij het plan van David Fleming moet krijgen, maar daar is de verantwoordelijkheid niet in handen van de politiek gelegd en kan deze zijn handen in onschuld wassen. De overheid is bij Fleming geen boeman, maar heeft juist een dienende rol. Zij moet de mensen helpen zich aan de omstandigheden aan te passen.(47)
Ten tweede worden niet alle wetten gehandhaafd, ook niet door de overheid zelf. 'Nood breekt wet' is de uitdrukking. De financiŽle crisis is het eerste voorbeeld van nood: we kunnen ons geen krimp permitteren, denkt de overheid, dus moeten we geforceerd met gemeenschapsgeld economische groei zien terug te krijgen. In dit geval wordt de invulling daarvan aan de markt overgelaten. De overheid wil hetzelfde als wat altijd al voor economische groei zorgde, in plaats van een herdefiniŽring van het gewenste economische stelsel; meer van hetzelfde, in plaats van een herdefiniŽring van de positie van ons land in het economische bestel; meer van hetzelfde in plaats van teminste de crisis aan te grijpen voor een plan voor een energietransitie van echt grote omvang en een afremming van energie-intensieve groei.
Niet alleen bij de overheid is een klimaatwet misschien niet veilig. Hetzelfde geldt voor de burger: 'Een wet is er om overtreden te worden.' Als het even moeilijk wordt, kan burgerlijke ongehoorzaamheid een vorm krijgen die handhaven van een wet die de markt intact laat, onmogelijk maakt. De autolobby en de Telegraafredactie vormen hier een machtige partij. De zwakte van de klimaatwet is bovendien dat hij uitsluitend voor het klimaat dient, niet voor olieschaarste. Dus bij een oliecrisis is hij een gemakkelijke prooi. Als het bij schaarste ieder voor zich wordt, gaan alle goede bedoelingen overboord en delven de armen en de zwakken het onderspit. Ook een oplossing voor het milieuprobleem is dan verder uit beeld dan ooit.

Liever quotering dan een wet of belasting.

Nederland
Het Britse Lagerhuis heeft vrijwel unaniem een klimaatwet aangenomen. In Nederland polderen we. Dat leidt tot het programma Schoon en Zuinig van minister Cramer, het sectorakkoord Meer met minder en een rapport als Duurzame energie in een nieuwe economische orde van het Regieorgaan Energietransitie Nederland. De laatste uitgave heeft een krasse titel, maar ik vind niet dat hij door de inhoud wordt waargemaakt. Het rapport is helemaal niet zo revolutionair als het lijkt.
Organisatorisch denkt het regieorgaan in oude patronen. De overheid stuurt weliswaar, het bedrijfsleven doet het eigenlijke werk. Het bedrijfsleven krijgt daarvoor convenanten, geen wetten. Het regieorgaan werkt verder van boven naar beneden (top-down). Even komt de lokale overheid in beeld bij het slimme energienet. De burger blijft geheel buiten beeld. Er wordt bijvoorbeeld optimistisch gedaan over de groeiende energiezuinigheid van nieuwbouwwoningen. De zogenaamde energieprestatie-coŽfficiŽnt (EPC) daalde in de afgelopen dertien jaar van 1,4 naar 0,8 en kan verder verlaagd worden, van 0,6 in 2011, 0,4 in 2014 tot nul in 2020. Vanaf 2020 zijn nieuwbouwwoningen `volledig energieneutraal'.(48) Als dit bereikt wordt is het zeker indrukwekkend in het licht van het verleden. Maar de koper of huurder staat nog steeds volledig buiten spel. Die nuttige inbreng wordt geheel gemist. De bouwwereld heeft alle touwtjes in handen, precies zoals ze het graag wil. Dat levert vast niet de revolutie en de snelheid die we nodig hebben.
De benadering van het regieorgaan is technocratisch. Dat zal leiden tot nieuwe crises die zich buiten het nauwe blikveld van de technocraat bevinden. Neem bijvoorbeeld de 850 petajoule die het regieorgaan met biomassa denkt te winnen. Dat biomassa ook mest is die de bodem in moet, in plaats van verbrand te worden, schijnt niemand te bedenken. Het organische stofgehalte van onze landbouwgronden is schrikbarend laag. Men denkt waarschijnlijk: dat lost kunstmest toch op? Nog afgezien van het feit dat het maken van stikstofkunstmest zeer energie-intensief is (aftrekken van die 850 PJ), roepen we zonder groenbemesting twee nieuwe crises op: de fosfaatcrisis en de stikstofcrisis.
Het element fosfaat moet ergens gedolven worden; je kunt het niet maken. En de seinen staan op rood: winbaar fosfaat raakt waarschijnlijk ergens deze eeuw op, al weet niemand precies wanneer, want niemand bekommert zich hierom. (Brown. Trouw)v Stikstofkunstmest maak je uit lucht. Daar is er geen probleem van een eindige voorraad. We hebben nu al de hoeveelheid stikstof die van nature zit in de bodems, rivieren en zeeŽn van onze planeet meer dan verdubbeld. Het overweldigt de natuurlijke processen. ZeeŽn en oceanen kennen vanwege stikstofvervuiling al uitgebreide `dode zones'. Sommige stikstofverbindingen zijn extreem sterke broeikasgassen. Ook hier moeten we minderen.v De conclusie: in een wereld met minder kunstmest hebben we elke akker nodig voor voedselproductie. Daarin moet alle biomassa die we kunnen vinden, dienen als mest. En dan nog lopen we het risico dat de oceanen sterven en hun opnamecapaciteit voor kooldioxide verliezen. De Nederlandse plannen hebben dan een averechts effect.
Het rapport is erg onvolledig. Een andere kijk op economie en geld, en de onderwerpen ecologie, peakoil, Energy Return on Investment (EROI) en Concentrated Solar Power (CSP, woestijnstroom) komen niet aan bod. Alleen tussen de regels door lezend lijkt men voor grote windmolenparken op zee te zijn, maar er staat niets concreets over in het rapport.
Bij het plan van Fleming is de weg vooral van onder naar boven (bottom-up). De zestien miljoen actoren die dit oplevert, zullen ongetwijfeld vele domme beslissingen nemen met vele vervelende gevolgen, maar ik geloof dat ik dat liever heb dan de manier waarop het nu gaat. In het spel om onze toekomst tilt het plan van Fleming het polderen naar een nieuw level.

Op een dieper niveau zien we hier het probleem van een gedateerde visie. De onderliggende gedachte bij beleidsmakers en politici is dat zowel in natuurlijke als in sociale systemen onderdelen tamelijk gemakkelijk zijn af te bakenen en te beheren; dat hun gedrag volgt uit het gedrag van hun onderdelen; dat een gevolg van dezelfde orde is als de oorzaak; dat het mogelijk is een veelheid van oorzaken te onderscheiden naar hun oorzakelijke kracht; en dat het voor een verklaring volstaat om ťťn enkele noodzakelijke en voldoende oorzaak van een gegeven verschijnsel op te sporen. (Homer-Dixon 2008) In de wisselwerking tussen het klimaat en de menselijke samenleving werkt het zo helemaal niet. Die wordt gekenmerkt door causale openheid, eigenschappen die onverwacht tevoorschijn schieten, disproportionaliteit tussen oorzaak en gevolg, en synergetische effecten. Met andere woorden, kleine oorzaken kunnen enorme gevolgen hebben en causale paden hangen aan elkaar van onvoorziene omstandigheden. Een eerste gevolg hiervan is: plannen is moeilijk. Iets precies bedenken voor het jaar 2020 is vrijwel onmogelijk. Een tweede gevolg: de grens van de staat en het nationale belang voldoen niet meer bij het aanpakken van deze problemen. De focus zal natuurlijk niet van vandaag op morgen veranderen. Daarom is het plan van Fleming invoeren zo'n goede stap. Het zorgt voor een veelzijdige reactie op de problematiek, die niet gehinderd wordt door vastomlijnde plannen en die snel op veranderingen zal inspelen. Er hoeft niet moeilijk gestuurd te worden op een paradigmawisseling. Tegelijk krijgt het bedrijfsleven zekerheden voor de lange termijn. De revolutie die het bedrijfsleven moet behappen is dan zoiets als die van de komst van de computer en ict.

Nederland heeft een gedateerde en kortzichtige aanpak.


Tot slot
We hebben gezien dat een hoogontwikkelde maatschappij bij een crisis diep kan vallen. De overheid heeft niet meer dan een vermoeden van het probleem. Daarom zal de overheid zo'n crisis proberen op te lossen met 'beproefde oude recepten', met meer van hetzelfde. We zien (in bijlage 3) dat afnemende EROI garandeert dat dit niet zal werken. Om te voorkomen dat de zaak vastloopt moeten we onszelf opnieuw uitvinden. De oude energie-intensieve maatschappij kan zichzelf niet handhaven en de werkloosheid en onrust die de neergang onverbiddelijk met zich meebrengt, kan alleen ondervangen worden door een omgekeerde ontwikkeling, door lokalisering en met laag-energetische hulpmiddelen. Dit is een nieuw paradigma dat we al doende zelf moeten ontdekken. De Transition Towns doen daaraan en het Klimaatdukatenplan doet daaraan. Het plan van David Fleming ontketent de collectieve vindingrijkheid en het talent van de gemeenschap. Het bevordert onderlinge samenwerking. Het biedt bovendien een onmiddellijk antwoord op het verdelingsvraagstuk bij een oliecrisis. Het biedt bescherming aan de zwakken in de samenleving.
Hoe gaan we om met de klimaatverandering en de oliecrisis? David Fleming heeft hierover nagedacht en het resultaat is zijn plan. Geen wet, geen (energie)belasting, geen oliepolitie, geen regering die boeman speelt. Wel gelijkheid en een hopelijk als vanzelfsprekend tot stand komende solidariteit. Een krimpende beschikbaarheid van brandstof gaan we met het plan ervaren als 'natuurverschijnsel'. Een groeiende vraag naar duurzame energie biedt het bedrijfsleven de zekerheid van een blijvende markt op de lange termijn. Dat alles met ťťn simpele ingreep die het bestel fundamenteel intact laat. Resultaat is ook een omvorming van het waardenstelsel waarbij nu het verkwistende leven van een elite voor de tv-kijker het onbereikbare ideaal is, in een stelsel waarin samen werken aan energiebesparing als vanzelfsprekend tot stand komt.


Noten
1. 'De huidige trends van energievoorziening en energieverbruik zetten de wereld op een koers van uiteindelijk een temperatuurstijging tot wel 6 graden Celcius.'
2. 'Als we alle onzekerheden meenemen, kan de temperatuur tot 6 graden stijgen.'
3. Het in 1992 tijdens de VN-topconferentie in Rio de Janeiro unaniem door alle landen overeengekomen voorzorgsbeginsel is niet nagekomen.
4. Lees desgewenst het woord `oliepieken' in plaats van `klimaatdukaten' in de titel; dit is het enige plan dat beide problemen aanvat.
5. De invoering van rekeningrijden wordt bijvoorbeeld overbodig.
6. Olieproductie is eigenlijk een verkeerde term: olie wordt niet 'gemaakt', slechts gewonnen. Peakoil hoeft niet direct een radicale knik te zijn; het kan zijn dat vůůr de daling inzet de oliewinning een tijdlang op een plafond zit. 7. Dit is niet de conclusie van het IEA, maar van Stichting Peakoil Nederland.
8. Op 10 december 2008 kostte een vat Brent precies 42 dollar.
9. Want ook al mag de Amerikaanse automobilist minder zijn gaan rijden en is de Chinese export verzwakt, de vraag naar fossiele brandstoffen is in het najaar van 2008 niet ingestort. Wellicht hield behalve schaarste ook speculatie de prijs eerder zo hoog. Eigenlijk doet dat voor dit punt niet echt terzake. In 2009 zal de vraag waarschijnlijk wel sterk dalen tengevolge van de economische crisis. Dan zal de schaarste zich wellicht in 2010 manifesteren.
10. De USGS presenteert zelf de winbare hoeveelheden in vaten en niet in termen van het wereldjaarverbruik. Voor West Greenland-East Canada schat het rapport op basis van buitengewoon beperkte geologische en seismische gegevens dat er 95% kans is op tenminste ťťn vat olie in het gebied, 50% kans op 0,26 miljard vaten en 5% kans op 34,5 miljard vaten. Het gemiddelde van 7,265 miljard vaten is het getal waarmee de USGS naar buiten komt. Eerder (op 1 november 2006) kwam een studie van Wood Mackenzie/Fugro Robertson uit op veel lagere cijfers.
11. Zie voor een analyse van het Europese beleid voorafgaand aan de onderhandelingen van Poznan Henningsen.
12. Het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN. Het rapport 2007 bestaat feitelijk niet uit ťťn rapport maar uit een serie, die samen 'het' rapport vormt.
13. Dit geldt vooral voor de door politici en pers gebruikte Samenvatting voor Beleidsmakers. Maar ook in het wetenschappelijk deel schijnt er een grotere dan normale terughoudendheid om te publiceren aan de orde te zijn, zodat vooral de meest recente bevindingen niet zijn meegenomen.
14. Naar de Engelse term 'tipping points'. Al in 1970 bracht ik een informatiemap uit waarin het ging over het 'flipflop-effect'.
15. Zie voor de actuele stand van zaken de site van het National Snow and Ice Data Center: www.nsdic.org.
16. Methaanhydraten, ook clathraten genoemd, zijn grote hoeveelheden methaan in bevroren toestand. Men vindt ze meestal dicht onder de zeebodem voor de kust. Zie: De laatste generatie door Fred Pearce pp 142-146.
17. Jim Hansen is tevens professor aan de Columbia Universiteit. Hij was op 27 november even in Nederland, waarbij het gebrek aan belangstelling bij de Tweede Kamercommissie voor de hoorzitting opvallend was.
18. Dit is de opwarming sinds 1860. De huidige opwarming is vooral het gevolg van kooldioxide-emissies van decennia terug. Het effect van wat we inmiddels al hebben uitgestoten wordt wel geschat op 0,5 tot 1,0 graad erbij. (0,5 graad: Teng. 1 graad: Wigley.)
19. De combinatie van Noordpoolelementen: zeeijs, het ijs van Groenland, de permafrost en de Warme Golfstroom is een voorbeeld van een zogenaamde trage terugkoppeling.
20. Daarvoor is volgens Hansen om te beginnen een wereldwijd moratorium op kolencentrales nodig. Nederland wil de kolenstook juist laten toenemen van 4.200 MW naar 5.900 MW. Deze plannen zijn volgens Hansen fnuikend en moeten beslist geschrapt.
21. Deze techniek van Carbon Capture & Storage (CCS) is feitelijk nog onbewezen. Daarom is CCS als argument om toch kolencentrales te bouwen uit den boze. Bij biomassaverbranding is echter alles wat onder de grond blijft, winst.
22. Zie voor deze discussie vooral Romm, An open letter to James Hansen on the real truth about stabilizing at 350 ppm. Verder: Hansen 2008b. Monbiot 2008b. Astyk.
23. Het was voor 2007 2,14 ppm. De getallen worden verzameld door het Global Carbon Project. Het rapport Carbon Cycle Update vindt u op www.globalcarbonproject.org. De bovenste dichte lijn in de figuur (A1F1) is de groei die volgens het IPCC-rapport kooldioxide zou hebben bij de hoogst denkbare economische groei. Daar gaan we dus bovenuit!
24. Hierover schrijft Mark Lynas behartenswaardige woorden in Zes graden, evenals George Monbiot in Hitte. Zie www.hitte.nu.v 25. Meinshausen kwam in 2005 uit op een kans van 7% en dat zal intussen zeker hoger zijn.
26. Een veel sterker argument tegen kernenergie is intussen dat het per definitie gekoppeld moet zijn aan een sterke staat die de benodigde veiligheid en opslag van kernafval kan handhaven. Juist door de vele crises in het vooruitzicht is een sterke staat zelfs op de termijn van ťťn of twee generaties bepaald geen garantie meer. De geschiedenis zal niet voortgaan als een verlengstuk van het verleden. Wat ook de toekomst is, zoveel is zeker. Bovendien is de EROI - zie bijlage 3 - van kernenergie kennelijk slecht.
27. Nederland heeft wel een plan: Schoon en zuinig. Maar dat is niet het soort plan dat ik bedoel. Zie hierover de paragraaf Nederland aan het eind van deze inleiding.
28. Het gaat bij woestijnstroom om Concentrated Solar Power (CSP) dat werkt door met spiegels zonnestraling op ťťn punt of lijn te concentreren, waar de enorme hitte van honderden graden wordt omgezet in een energiedrager, bijvoorbeeld stoom. Die kan dan op zijn beurt in elektriciteit worden omgezet. In het voorjaar van 2008 maande een motie van de Tweede Kamer het kabinet contact op te nemen met Algerije om uit te zoeken wat er op dit punt mogelijk is. Meer informatie over CSP vindt u www.desertec.org. Zie ook bijlage 4 en het supergridkaartje daarbij.
29. Een effect van de vrije markteconomie is dat bij hoge olieprijzen biobrandstofproductie commercieel aantrekkelijk is. Boeren hebben stimulering van de overheid dan helemaal niet meer nodig en kiezen er puur op commerciŽle gronden voor. Zo kunnen de kippenboeren in de VS fluiten naar de maÔs van hun buren, omdat de maÔsboeren er nu liever ethanol van maken. Dat is marktwerking.
30. Politici noch economen hoor je ooit kritisch over ons positief-rentend geldsysteem dat de hoeksteen is van de groeidwang en de grondoorzaak van onze problemen. Zie daarover www.strohalm.nl.
31. Aangenomen dat de kredietcrisis ons niet eerst in een volledige economische crisis stort - dan is er uitstel van executie, maar ook weinig ruimte voor de bekostiging van de noodzakelijke transitie, al lost het plan van David Fleming dat en passant het beste op.
32. Het aan de macht komen van de Nazi's was ook een revolutie.
33. Wie wil weten hoe ze te werk gingen, leze in The Last Oil Shock van David Strahan de pagina's 119-124.
34. Sufficiency volgens Ernst von Weizsšcker
35. Zie ook de paragraaf De psychologie van de verandering over geluk.
36. Dit is te vinden in het boek The Upside of Down, waarvan de vertaling Ten onder te boven bij mij verschijnt in het najaar van 2009.
37. Net als bij het exploiteren van nieuwe energiebronnen door onze maatschappij - zie het EROI-verhaal in bijlage 3.
38. Dit is feitelijk wat het Hadley-klimaatmodel van drie graden temperatuurverhoging voor het hele Amazonegebied voorspelt: de blijvende teloorgang van het regenwoud. Met daarna als gevolg een veranderde waterhuishouding op regionale schaal, en tenslotte een ander weersysteem op globale schaal. Zie hierover De laatste generatie van Fred Pearce en Zes graden van Mark Lynas.
39. Hoe het precies staat met het verlies aan biodiversiteit komt hier niet aan de orde, maar het telt wel zwaar mee. Alleen al op het gebied van natuur en milieu zijn tien terreinen te onderscheiden waar de mensheid de grenzen van de draagkracht soms al ver overschrijdt of tenminste binnenkort dreigt te gaan overschrijden. Dit zijn allemaal crises die op elkaar inwerken en elkaar zullen versterken.
Een interessante benadering van de instorting van menselijke samenlevingen is die van Joseph Tainter.
40. Zie daarvoor de websites www.transitie.be en www.transitiontowns.nl. Ik zal voorjaar 2009 het Transitiehandboek uitgeven, de Nederlandse vertaling van het Transition Handbook. (Zie daarvoor www.hitte.nu.) In dit boek staat ook een hoofdstuk over de psychologie van het afkicken toegepast op ons - noodgedwongen - afkicken van onze verslaving aan olie en gas.
41. Zie www.climatejustice.org.uk/about/.
42. Zie hierover o.a. de site www.oildepletionprotocol.org, en de boeken Hitte door George Monbiot en The Oil Depletion Protocol door Richard Heinberg. Dit is het niveau waarop de Kyoto-onderhandelingen over emissierechten zich afspelen.
43. Het is op het moment van schrijven te vroeg om de ins en outs van het akkoord te beoordelen. De Europese emissiehandel zou wel eens ťťn van de grootste obstakels voor het plan van Fleming kunnen zijn, omdat er dan misschien bedrijven zijn die in twee regimes rechten moeten kopen. Zo'n dubbele belasting moet natuurlijk uitgebannen worden.
44. Het was tactisch onhandig de uitvoering van de campagne in handen te leggen van Milieudefensie. Nu leek het of het een Milieudefensie-actie was, waarmee - om maar een andere Hier-organisatie te noemen - het Rode Kruis niets te maken had. Dit is niet gunstig voor het imago van de wet.
45. De moeilijkheidsgraad daarvan is zeker lager dan om het plan van David Fleming ingevoerd te krijgen.
46. Op basis van 90% besparen voor 2030. Dit percentage van 5% zal jaarlijks oplopen omdat het om een besparing van een absolute grootte gaat. In het begin zal de besparing bovendien groter zijn dan 5% omdat besparen nog gemakkelijk gaat. Op het eind wordt de besparing steeds kleiner, als de duurzaamheid praktisch bereikt is. Besparen is hier zowel het energieverbruik verminderen als vervangen door duurzame bronnen.
47. Mensen die vanwege hun slinkend energiebudget groepsgewijs en voor zichzelf naar oplossingen zoeken, kunnen niet zonder een transitie op nationaal niveau. Idealiter moet eerst lokaal de beste oplossing voor energiezekerheid bepaald worden en zou de overheid moeten reageren met een aansluitend stelsel van wat op lokaal niveau niet gerealiseerd kan worden. Bijvoorbeeld: elektriciteit zal in de toekomst de belangrijkste drager van energie worden. Die kan lokaal geproduceerd worden, maar er zullen ook windturbines op de Noordzee en zonnespiegels in de Sahara moeten komen. Dat kan alleen de overheid afdwingen. De overheid kan niet wachten totdat lokaal bepaald wordt wat gewenst is en zal in de trant zoals Al Gore beschrijft moeten beginnen, in de hoop dat het goed aansluit op wat lokaal nodig gaat blijken.
48. Ongetwijfeld wordt energieneutraal in gebruik bedoeld, niet in bouwmaterialen en dergelijke.


Literatuurlijst bij de Inleiding en bijlagen
Ayres, Robert U. & Benjamin Warr, `Accounting for Growth: The Role of Physical Work, Structural Change and Economic Dynamics, februari 2004
Arkel, Jan van, Wat is er mis met het weer? - Broeikaseffect of nieuwe ijstijd, Ekologie 21/22, pp. 1-239, 1984
Astyk, Sharon, 11 november 2008. A New Deal or a War Footing? Thinking Through Our Response to Climate Change. http://sharonastyk.com/2008/11/11/a-new-deal-or-a-war-footing-thinking-through-our-response-to-climate-change/
Brangwyn, Ben & Rob Hopkins, Basishandleiding Transition Towns, uitgave Transition Towns Nederland/Transitie BelgiŽ i.s.m. Uitgeverij Jan van Arkel, 2009
Brown, A. Duncan, Feed or Feedback - Agriculture, Population Dynamics and the State of the Planet, International Books, 2003
Campbell, Colin & Jean LaherrŤre, 'The End of Cheap Oil', Scientific American, 1998
Campbell, Colin, Oil Crisis, Multi-Science Publishing Co Ltd, 2005
Comiso, J. et al, 2008: `Accelerated decline in the Arctic sea ice cover', Geophysical Research Letters, 35, L01703
Daly, Herman E., Climate Policy: from `know how' to `do now', op website www.climatepolicy.org, 4 september 2008 (An Insightful and Provocative Keynote to AMS's workshop on Federal Climate Policy)
Easterlin, Richard, 'Does Economic Growth Improve the Human Lot? Some Empirical Evidence', in Paul David & Melvin Reder, eds, Nations and Households in Economic Growth, New York, Academic Press, 1974
Easterlin, Richard, 'Will Raising the Incomes of All Increase the Happiness of All?', Journal of Economic Behavior and Organization 27 (1995): pp 35-47
Gezondheidsraad, Deeladvies inzake CO2-problematiek, Staatsuitgeverij, 1983 Green New Deal-rapport, http://www.neweconomics.org/ gen/greennewdealneededforuk210708.aspx
Global Carbon Project press release, 25 sept 2008: `Growth in the global carbon budget', www.globalcarbonproject.org
Haas, C. et al, 2008: `Reduced Thickness in Arctic Transpolar Drift Favors Rapid Ice Retreat,' Geophysical Research Letters, 35, L17501
Hall, Charles, Dietmar Linderberger, Reiner KŁmmel, Tim KrŲger & Wolfgang Eichhorn, 'The Need to Reintegrate the Natural Sciences with Economics', BioScience, augustus 2001
Ekman, Bo, Johan RockstrŲm & Anders Wijkman, Grasping the cimate crisis, A Provocation from the Tšllberg Foundation, Tšllberg Foundation, november 2008, http://www.tallbergfoundation.org/Portals/0/ Documents/Grasping_the_climate_crisis.pdf
Hansen, James, et al, 2007. Climate Change and Trace Gases. Philosophical Transactions of the Royal Society - A. Vol 365, pp 1925-1954. doi: 10.1098/rsta.2007.2052. http://pubs.giss.nasa.gov/docs/2007/ 2007_Hansen etat_2.pdf
Hansen, James, et al, 2008a. 'Target Atmospheric CO2: Where Should Humanity Aim?', arXiv.org april 2008
Hansen, James, 2008b. Tell Barack Obama the Truth - The Whole Truth, www.columbia.edu/~jeh1/mailings/20081121_Obama.pdf
Hansen, 2008c, NRC-interview 29 november 2008
Hardin, G., 1968: 'Tragedy of the commons', Science, 162, 1243-8
Hazeleger, Wilco, Zoveel haast is niet nodig bij kustverdediging, NRC Handelsblad, 11 december 2008
Heinberg, Richard, Powerdown: Options and Actions for a Post-Carbon World, New Society Publishers, 2005
Heinberg, Richard, The Party's Over: Oil, War and the Fate of Industrial Societies, New Society Publishers, 2005
Heinberg, Richard, The Oil Depletion Protocol: A Plan to Avert Oil Wars, Terrorism and Economic Collapse, New Society Publishers, 2006
Richard Heinberg, Peak Everything: Waking Up to the Century of Declines, New Society Publishing, 2007
Henningsen, Jurgen, EU energy and climate policy - two years on, European Policy Centre, september 2008
Hirsch, Robert L., Roger Bezdek en Robert Wendling, Peaking of World Oil Production: Impacts, Mitigation, and Risk Management, US Department of Energy, februari 2005
Holling, C.S., Understanding the Complexity of Economic, Ecological, and Social Systems, Ecosystems 4, no. 5 (2001): pp 390-405
Homer-Dixon, Thomas, The Upside of Down, Souvenir Press, 2006 (een Nederlandse vertaling Ten onder te boven verschijnt najaar 2009 bij Uitgeverij Jan van Arkel)
Homer-Dixon, Thomas, 30 oktober 2008: Climate Change, the Arctic, and Canada, www.homer-dixon.com
Hopkins, Rob, The Transition Handbook, Green Books, 2008 (een Nederlandse vertaling verschijnt voorjaar 2009 bij Uitgeverij Jan van Arkel)
Hubbert, M. King, Nuclear Energy and the Fossil Fuels, American Petroleum Institute, 1956
IEA, World Energy Outlook 2008, IEA Publications 2008
IEA, Press release bij World Energy Outlook 2008, 12 november 2008
IPCC-rapport 2007, The Physical Science Basis. Summary for Policymakers, www.ipcc.ch
Jacobs, J., Handel en bestuur: twee stelsels - een dialoog over morele grondslagen, Uitgeverij Jan van Arkel, 1997
Klaere, Michael T., Rising Powers, Shrinking Planet - The New Geopolitics of Energy, Metropolitan Books, 2008
Klundert, Bram van de, Verlangen goed te leven - duurzame ontwikkeling tussen maakbaarheid, mondialisering en moraal, Uitgeverij Jan van Arkel, 2008
Lawrence, David M. et al, 2008. `Accelerated Arctic land warming and permafrost degredation during rapd sea ice loss.' Geophysical Research Letters, Vol 35, 11506
Lynas, Mark, Zes graden, Uitgeverij Jan van Arkel, 2008
Meinshausen, M., Avoiding Dangerous Climate Change, Cambridge University Press, 2006
Metz, Paul, Hoge olieprijs bedreigt onze beschaving, Het Financieele Dagblad, 5 september 2005
Middelkoop, Willem & Rembrandt Koppelaar, De permanente oliecrisis, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2008
Monbiot, George, Hitte, Uitgeverij Jan van Arkel, 2008
Monbiot, George, 25 november 2008. One Shot Left, Monbiot.com/archives/2008/11/25/one-shot-left/
NOAA, Arctic Report Card op http://www/arctic.noaa.gov/reportcard/seaice.html
Pearce, Fred, De laatste generatie, Uitgeverij Jan van Arkel, 2007
Public Interest Research Centre, 25 november 2008, Climate Safety. www.pirc.info
Regieorgaan Energietransitie Nederland, Duurzame energie in een nieuwe economische orde, 14 november 2008
Rifkin, Jeremy, Entropy, a new world view, Granada, 1995
Schuur, Edward A.G. et al, september 2008, `Vulnerability of permafrost carbon to climate change: implications for the global carbon cycle,' Bioscience, vol 58, nr 8, pp 701-714
Simms, Andrew, Hundred Months Technical Note, augustus 2008, www.onehundred months.org
Stern rapport, The Economics of Climate Change, Cambridge University Press, 2007
Stichting Peakoil Nederland, Minder olie, meer CO2? - de wisselwerking tussen klimaatverandering en toenemende olieschaarste, 2008
Solow, Robert, `A Contribution to the Theory of Economic Growth', Quarterly Journal of Economics, februari 1956
Strahan, David, The Last Oil Shock: A Survival Guide to the Imminent Extinction of Petroleum Man, John Murray Publishing, 2007
Tainter, Joseph, The Collapse of Complex Societies, Cambridge, Cambridge University Press, 1988
Teng, H., et al., 2006: 'Twenty-first century climate change commitment from a multi-model ensemble', Geophysical Research Letters, 33, L07706
Tickell, Oliver, Kyoto2 - How to Manage the Global Greenhouse, Zedbooks, 2008 Trouw, Wetenschappers waarschuwen voor tekort fosfaat, 2 september 2008
Romm, Joseph. `An open letter to James Hansen on the real truth about stabilizing at 350 ppm', Climate Progess, 23 november 2008, http://climateprogress.org/2008/11/23/an-open-letter-to-james-hansen-on-the-real-truth-about-stabilizing-at-350-ppm/
US Geological Survey, Circum-Arctic Resource Appraisal, 23 juli 2008, http//energy.usgs.gov/arctic/
Wigley, T., 2005: 'The climate change commitment', Science, 307, pp 1766-9


http://www.hitte.nu
www.transitiontowns.nl
www.transitie.be
http://www.theoildrum.com
http://www.peakoil.nl
http://www.iea.org
http://wwwipcc.ch
www.desertec.org
www.onehundredmonths.org
www.neweconomics.org


AANHANGSEL

Een lesje in energie

door Thomas Homer-Dixon*
vertaald door Gertjan Cobelens & Piper Hollier

*) Te vinden in het dit najaar te verschijnen boek Ten onder te boven.

Wat is energie?
Energie is de hartenklop van alle samenlevingen. Net zoals wij de basiswerking van het menselijk lichaam kunnen begrijpen door de stroming van het bloed te volgen, kunnen wij veel van de activiteiten van een samenleving begrijpen door haar energiestromen te volgen.
Energie is essentieel, daar zijn wij het snel over eens. Moeilijker is het de rol die zij in ons dagelijks leven speelt geheel te doorgronden. Wanneer wij aan energie denken, hebben wij meestal benzine op het oog die we als brandstof in onze auto's gebruiken, of elektriciteit waarmee wij onze woningen verlichten en misschien het aardgas en de steenkool die wij in onze centrales verbranden. Met andere woorden: wij vatten energie doorgaans als een brandstof op, en vanwege de directe diensten die deze brandstof levert - diensten als transport, licht en warmte - hebben we de neiging haar als nuttig te beschouwen.
Natuurlijk zijn dit cruciale diensten, maar de rol die energie in ons leven speelt is eigenlijk veel fundamenteler, essentiŽler en subtieler. Wij onttrekken energie uit onze omgeving om orde uit chaos en complexiteit uit eenvoud te scheppen. Vaak gebruiken wij deze orde en complexiteit om ons vervolgens te helpen bij het oplossen van de problemen waarmee wij geconfronteerd worden - bijvoorbeeld om ons tegen onze hardvochtige omgeving te beschermen en ons voor aanvallen te behoeden. Simpel uitgedrukt: samenlevingen met toegang tot veel energie zijn veerkrachtiger, beter in staat zich aan te passen en beter in het oplossen van problemen.
Om het verband tussen energie en complexiteit te begrijpen, moeten wij enkele wetenschappelijke principes verkennen die bepalend zijn voor hoe energie zich gedraagt. Hoewel de meeste mensen denken dat energie iets tastbaars is, zoals benzine, is zij in werkelijkheid helemaal geen fysieke stof. Zij is in feite een eigenschap van een stof. Een handvol tarwekorrels, een loodaccu, een stroom lichtfotonen of een snelstromende rivier bezitten allemaal de eigenschap energie. Deze eigenschap kan zich van de ene plek naar de andere verplaatsen, en wanneer zij zich verplaatst, kunnen wij soms van deze energiestroom gebruikmaken om, in de woorden van de natuurkundigen, `werk te doen', dat wil zeggen: om dingen in onze fysieke wereld te veranderen. De energie in een snelstromende rivier kan bijvoorbeeld werk voor ons doen wanneer deze wordt overgeheveld naar een ander systeem als een watermolen of -turbine. De energie in een loodaccu doet haar werk pas wanneer zij naar een gloeilamp of een elektromotor stroomt.
Sommige energiebronnen zijn meer geschikt voor het verrichten van werk dan andere, op voorwaarde dat wij weten hoe wij de energie die hierin aanwezig is kunnen benutten. De hoogkwalitatieve energie die door benzine wordt geleverd, is bijvoorbeeld meer geschikt voor het verrichten van werk dan de laagkwalitatieve energie van de diffuse warmte die in de grond onder onze voeten aanwezig is en die weinig ander nut heeft dan het verwarmen van andere zaken zoals gebouwen en woningen. Dus zijn bronnen van hoogkwalitatieve energie als olie, aardgas en snelstromende rivieren buitengewoon waardevol, omdat wij deze kunnen inzetten om vele verschillende diensten te leveren.
In essentie zijn er maar twee vormen van energie: kinetische energie - energie van materie die in beweging is - en potentiŽle energie - energie die ergens in gevangen zit. Wij kunnen potentiŽle energie in kinetische energie omzetten en vice versa. Wanneer we benzine verbranden om een automotor aan te drijven, zetten wij de potentiŽle energie in de chemische verbindingen van benzine om in de kinetische energie van de beweging van de motor. Wanneer we echter het snelstromende water van een rivier gebruiken om een elektrische turbine aan te drijven en vervolgens de elektriciteit van de turbine gebruiken om een accu op te laden, converteren wij de kinetische energie van de rivier naar de turbine om werk te verrichten, en vervolgens gebruiken wij dit werk om potentiŽle energie in de accu te creŽren.
Warmte is een bijzondere vorm van kinetische energie. Zij zit opgeslagen in de vorm van trillingen en andere bewegingen van de atomen en moleculen in materialen als de muren van onze huizen of de lucht om ons heen. Vaak gebruiken wij warmte als tussenliggende vorm van energie om onze machines mee aan te drijven, bijvoorbeeld wanneer er benzine in de cilinders van een automotor ontstoken wordt en er daarbij gassen met een hoge temperatuur worden gecreŽerd en de warmte van deze gassen vervolgens de kinetische energie genereert die de zuigers van de motor voortstuwt. Warmte drijft ook onze straal- en raketmotoren aan. Een beter begrip van de aard van warmte kan ons veel leren over energiestromen in zowel natuurlijke als kunstmatige systemen en bijvoorbeeld de vraag beantwoorden hoeveel werk een bepaald systeem kan verrichten.


Thermodynamica
Dit is het terrein van het onderdeel van de natuurkunde dat thermodynamica heet. De ontdekking tijdens de negentiende eeuw van de wetten van de thermodynamica - een van de belangrijkste ontdekkingen ooit in de wetenschap - hield een verbluffende doorbraak in. Deze wetten vertellen ons twee essentiŽle zaken over onze natuurlijke wereld. De eerste vertelt ons dat energie nooit gecreŽerd of vernietigd wordt: de totale energie in een systeem en zijn omgeving (breed gedefinieerd) blijft constant, ongeacht of het systeem een mechanisch apparaat als een automotor is, of een biologisch systeem als een menselijk lichaam, of een sociaal systeem als dat van het oude Rome. De tweede wet vertelt ons dat energie in de meeste systemen bij een normaal niveau van activiteit in kwaliteit vermindert: hoogkwalitatieve energie ontaardt in energie van een steeds lagere kwaliteit, met gewone laagkwalitatieve warmte als eindresultaat. Het is alsof energie altijd bergafwaarts stroomt, van vormen die we kunnen gebruiken om veel werk mee te verrichten naar vormen die hun nut min of meer verloren hebben. En elke keer als wij energie gebruiken om er werk mee te doen, wordt de kwaliteit van deze energie nog minder. Naarmate de energie van een systeem verder ontaardt, stellen natuurwetenschappers dat haar `entropie' - vaak beschreven in termen van wanorde of willekeur - toeneemt.
Stel je, om een beter begrip te krijgen, voor dat je in een grote doos zit opgesloten met een krant, een stoel en een accu die op een gloeilamp is aangesloten. We gaan ervan uit dat de doos van de rest van de wereld geÔsoleerd is en energie de doos niet binnen kan komen of verlaten. Binnen de doos is zowel hoogkwalitatieve energie in de accu geconcentreerd als in jezelf, in de vorm van de suikers en proteÔnen die je uit je voedsel hebt verkregen en die je lichaam kracht geven. Natuurwetenschappers stellen dat zulke energie `coherent' en `geordend' is. Zittend in de doos kun je de krant lezen, omdat de accu zijn chemische energie in elektrische energie omzet die door de gloeilamp vervolgens tot lichtenergie wordt omgevormd. Dat licht snelt van de lamp weg en raakt de krant, de muren en andere voorwerpen in de doos waar het geabsorbeerd wordt en in laagkwalitatieve warmte ontaardt. In essentie wordt de energie van het licht als warmte door de doos verspreid, waardoor de incoherente en wanordelijke trillingen van de moleculen waaruit de dingen in de doos bestaan lichtjes toenemen. Maar de chemische energie in de accu is eindig, dus uiteindelijk raakt de accu uitgeput en dooft het licht.
Jij (de persoon in de doos) hebt veel met de accu gemeen: wanneer je dingen verplaatst en tilt, zet je je chemische energie om in andere vormen van energie, zoals kinetische energie. Als er in de doos een hometrainer met dynamo staat, kun je op de pedalen trappen en het apparaat gebruiken om de verlichting van stroom te voorzien zodat je de rest van je krant kunt lezen. De doos wordt nog warmer naarmate de warmte die door je inspanning wordt gegenereerd middels zweet uit je lichaam wegvloeit. Maar zoals dat ook met de accu gebeurt, zullen jouw krachten verminderen en zal je uiteindelijk sterven. Alle hoogwaardige energie die in de accu en in je lichaam zit, zal dan zijn verbruikt, en de doos zelf zal wegtikken - net zoals een mechanische klok wegtikt - en als een zwarte driedimensionale ruimte met een gelijkmatige temperatuur eindigen.
Later zullen we zien dat samenlevingen die onvoldoende toegang tot hoogwaardige energie hebben waarschijnlijk uiteen zullen vallen. De wetten van de thermodynamica maken ons duidelijk dat ondanks het feit dat energie niet gecreŽerd of vernietigd kan worden, zij wel onvermijdelijk zal ontaarden, en zodoende steeds minder nut zal hebben voor het verrichten van werk. En als zij minder nut heeft voor werk, is zij minder bruikbaar om de complexiteit en veerkracht van een samenleving in stand te houden.


Open systemen en hogere orde
Ons licht-in-een-doos voorbeeld is volstrekt denkbeeldig en kunstmatig. Het geeft een `gesloten' systeem weer, wat wil zeggen dat het volstrekt afgesloten is van de wereld erbuiten. Wetenschappers gebruiken zulke denkbeeldige systemen om de implicaties van hun theorieŽn te doordenken. Maar in werkelijkheid zijn vrijwel alle fysische, biologische, technologische en sociale systemen `open'. Zij staan in wisselwerking met hun omgeving. Heel belangrijk is dat deze systemen vaak hoogkwalitatieve energie aan hun omgeving onttrekken om werk te doen of om de wanorde in hun kern te verminderen, en dat zij hun overbodige warmte en restmaterialen weer in de omgeving afstoten. Een stad als het oude Rome, bijvoorbeeld, importeerde zaken als hout, drinkwater en energie in de vorm van voedsel uit haar achterland, en loosde haar warmte, rioolwater en afval weer in haar omgeving. (In de tijd van haar hoogste bevolkingsniveau had Rome waarschijnlijk een jaarproductie van zo'n miljoen kubieke meter menselijke uitwerpselen.) Een moderne auto gebruikt benzine om werk te doen en de auto in beweging te zetten, en hij stoot warmte en uitlaatgassen in de dampkring uit. Een staalfabriek gebruikt ijzererts en hoogkwalitatieve energie (in de vorm van bijvoorbeeld steenkool) om samenhangende en geordende materialen als stalen staven te creŽren; tijdens dit proces stoot de fabriek warmte, kooldioxide en vervuiling in nabijgelegen water en lucht uit.
Op het eerste gezicht lijkt het alsof open systemen zich niet aan het klassieke thermodynamische principe houden dat wanorde, willekeur en entropie altijd zullen toenemen. De staalfabriek produceert immers laag-entropische stalen staven. En met de ontwikkeling van het Rijk werd de interne structuur van Rome ordelijker en complexer en werden haar diverse sociale en technologische strata diverser, meer gespecialiseerd en onderling afhankelijker.
Uiteindelijk beseften wetenschappers dat het principe dat de entropie van een systeem altijd moet toenemen alleen geldt wanneer zijn grenzen zodanig worden gedefinieerd dat vrijwel alle wisselwerkingen met zijn omgeving erin omsloten worden. Het systeem van een staalfabriek omvat dan de hele technologische infrastructuur die de ijzererts en steenkool produceert waarvan de fabriek gebruik maakt, alsmede de dampkring en de waterwegen waar zijn verontreinigende stoffen in worden geloosd. En het systeem van het oude Rome omvatte de zonne-energie die door de zon geleverd werd en het hele natuurlijke achterland van de stad met al zijn land, bossen, water en lucht. Binnen deze brede grenzen neemt de gemiddelde kwaliteit van de energie van het systeem altijd af en neemt entropie altijd toe.
Niettemin kunnen er binnen het bredere systeem delen zijn die een zeer hoge graad van orde bezitten: Binnen het grotere systeem van het rijk was Rome een zone van lage entropie. Feitelijk kunnen zaken als steden, ecosystemen en zelfs onze menselijke lichamen spontaan orde en complexiteit creŽren en hun entropie al doende nog verder verlagen. Steden bouwen ingewikkelde infrastructuren voor transport, drinkwater en energie; ecosystemen worden biologisch gezien diverser zodra er nieuwe soorten ontstaan; en menselijke embryo's ontwikkelen zich in mensen met alle complexe organen en structuren van dien. Hoe kunnen zulke verbazingwekkende dingen gebeuren?
Wetenschappers kunnen het nog niet met zekerheid zeggen. Maar zij weten nu al dat systemen als steden, ecosystemen of menselijke lichamen, zoals zij het uitdrukken, `ver van hun thermodynamisch evenwicht' verwijderd zijn. Zij kunnen spontaan orde binnen zichzelf creŽren. Maar het handhaven van deze orde heeft veel weg van een poging een knikker met je vinger tegen de wand van een kom gedrukt te houden: de knikker rolt liever omlaag de kom in - dat is zijn punt van evenwicht; dus het vergt een constante toevoer van energie om de knikker tegen de zijkant gedrukt te houden. Analoog hieraan hebben steden, ecosystemen en menselijke lichamen een constante toevoer van hoogkwalitatieve energie nodig om hun complexiteit en orde te handhaven - hun positie die ver van het thermodynamisch evenwicht staat - tegenover de meedogenloze neiging van de natuur om in de richting van ontaarding en wanorde te tenderen. En naarmate het systeem groter en complexer wordt, is er steeds meer energie nodig om het systeem op gang te houden.


Energy Return On Investment (EROI)
Het blijkt dat wij elk project dat energie zou moeten genereren, waaronder landbouw, op dezelfde wijze kunnen evalueren als dat wij een financiŽle investering zouden doorrekenen: wij vergelijken de grootte van de investering met de grootte van hetgeen de investering oplevert. In het geval van energieprojecten noemen energiedeskundigen deze verhouding de energy return on investment of EROI. Wij berekenen de EROI-factor door de hoeveelheid energie die een project oplevert te delen door de hoeveelheid energie die het verbruikt. In het geval van bijvoorbeeld een moderne steenkolenmijn delen wij de bruikbare energie in de steenkool die door de mijn geproduceerd wordt, door de optelsom van alle energie die nodig is om de steenkool te delven en geschikt te maken om verbrand te worden, inclusief de energie in de dieselbrandstof die door de drilboren, graafmachines en kiepauto's gebruikt wordt en de energie in de elektriciteit die de machines gebruiken die de steenkool vermalen en sorteren.
Als je geÔnteresseerd bent in de rol van energie in de menselijke samenleving houdt dan de EROI van de verschillende energiebronnen in de gaten, want deze is een van de nuttigste meetinstrumenten voor het vergelijken van de relatieve waarde van deze bronnen. Er is een veel hogere EROI dan 1 op 1 nodig om een samenleving op gang te houden, want energie is ook noodzakelijk om de machines te bouwen die de energie gebruiken en ook om de benodigde arbeidskrachten te voeden, te huisvesten, op te leiden en van gezondheidszorg te voorzien, enzovoort.
In agrarische samenlevingen zoals die van de oude Romeinen, waar mensen het grootste deel van het agrarische werk deden, moest ook de voedselproductie een EROI van ver boven de 1 op 1 hebben, opdat de samenleving zich een zeker niveau van sociale en technologische complexiteit kon veroorloven. In elke complexe samenleving parasiteren degenen die geen boer zijn goed beschouwd op degenen die de energiebronnen verbouwen - de granen, de groenten, het fruit en het vlees - die onze lichamen in beweging houden.
Om de waarheid van deze beweringen beter te begrijpen: stel je een agrarische samenleving voor waarin mensen al het werk doen inclusief al het agrarische werk - waar met andere woorden geen ossen of andere trekdieren worden gebruikt - en die een EROI van enkel 1 op 1 heeft. In zo'n samenleving zouden de boeren zelf alle energie verbruiken die de landbouw oplevert: iedereen zou uitsluitend moeten werken om zichzelf te voeden, dus zou er geen energie overblijven om andere mensen te onderhouden die andere dingen doen - niet eens om huizen voor de boeren te bouwen, boerengereedschappen te maken of het eten klaar te maken. Als de EROI van deze samenleving onder de 1 op 1 zou vallen, dan zouden de boeren niet eens genoeg energie genereren om zichzelf in stand te houden en zouden zij langzaamaan creperen.
Wat vertelt dit ons over het dilemma waar de mensheid zich aan het begin van de 21ste eeuw voor geplaatst ziet? Naar mijn mening brengt dit een tweetal lessen voor het voetlicht.
Ten eerste staan onze rijke, hoogtechnologische Westerse samenlevingen er wat betreft hun dwingende energiebehoefte niet anders voor dan de arme zich ontwikkelende samenlevingen of, om maar iets te noemen, de oude Romeinen. Al onze samenlevingen hebben alleen al behoefte aan enorme stromen hoogkwalitatieve energie om hun complexiteit en orde te handhaven, om van een toename daarvan maar niet te spreken (om zich, in de onhandige terminologie van de natuurkunde, ver van hun thermodynamisch evenwicht te houden). Zonder een constante toevoer van hoogkwalitatieve energie hebben complexe samenlevingen geen veerkracht tegen schokken van buitenaf. In feite is het vrijwel zeker dat zij dan niet zouden kunnen overleven. Deze steeds aanwezige gevaren dwingen samenlevingen ertoe onophoudelijk te zoeken naar energiebronnen met de hoogst mogelijke return on investment (EROI). Hierdoor worden samenlevingen ook gedwongen om de gebieden waar hun energie vandaan komt agressief te bestieren en te organiseren, om hun belangen, betrekkingen en veelal hun politieke en economische overheersing naar ver buiten hun huidige grenzen te verleggen - zoals we vandaag de dag zien bij de Amerikaanse betrokkenheid in Irak en de Perzische Golf.
De tweede les ligt minder voor de hand, maar is belangrijker: na een zeker moment en zonder de vondst van dramatische nieuwe technologieŽn om energie te vinden en te gebruiken, begint het resultaat van de investeringen van een samenleving om energie te produceren - de EROI - af te nemen. Het Romeinse imperium zat vast in een energiesysteem dat op voedsel gebaseerd was. Naarmate het imperium groter werd en tot zijn volle wasdom kwam; naarmate het de beste landbouwgronden rond de Middellandse Zee benutte en in sommige gevallen uitputte om vervolgens verder te trekken om armere landbouwgronden te bewerken; en naarmate de bevoorradingsroutes van het graan naar de belangrijkste steden steeds langer en kronkeliger werden, was er steeds meer werk nodig om elke additionele duizend kilo graan te produceren.v Wat betreft veel van haar vitale energiebronnen als conventionele olie, aardgas en waterkracht wordt de mensheid vandaag de dag met eenzelfde trend geconfronteerd. Wij hebben de grootste en meest toegankelijke olie- en gasvelden al ontdekt en aangeboord en de beste waterkrachtlocaties al in gebruik genomen. Naarmate we steeds dieper moeten boren en steeds verder buiten de eigen grenzen moeten gaan om olie en gas te halen, en wij ons meer en meer tot alternatieven als teerzanden, zonnekracht, windenergie en kernenergie moeten wenden, komen we erachter dat wij steeds grotere hoeveelheden energie moeten investeren om energie te verkrijgen.
Hoewel de hedendaagse samenlevingen met dezelfde dringende energiebehoefte worden geconfronteerd als de oude Romeinen, wijken zij op een cruciaal onderdeel van hen af: moderne samenlevingen zijn veel complexer en meer geordend en bevinden zich veel verder van hun thermodynamisch evenwicht. Met andere woorden, onze samenlevingen zijn als de knikker die naar de bodem van de kom wil rollen, en in vergelijking met het oude Rome houden wij de knikker veel hoger tegen de zijkant van de kom. Reusachtige stromen van hoogkwalitatieve energie maken dit mogelijk. Wanneer wij deze stromen niet langer in stand kunnen houden, zullen onze samenlevingen weer naar hun evenwicht vallen - wat er in essentie op neerkomt dat hun complexiteit uiteen zal vallen. En dat uiteenvallen, mocht het zover komen, zou de ondergang van Rome verre in de schaduw stellen.


Nederland maal tien
Zijn we in staat de transitie van energiebronnen met een hoge EROI naar die met een lage te maken, nu het steeds moeilijker wordt om olie te vinden? Ergens tijdens de jaren '60 passeerde de Verenigde Staten een kritieke drempel toen haar EROI van de binnenlandse oliewinning begon te dalen, en de kans is groot dat sinds die tijd zo'n beetje alle overige olieproducerende regio's in de wereld dezelfde drempel hebben gepasseerd (vaak duurt het een tijd voordat de gegevens duidelijk laten zien dat de drempel gepasseerd is). Bijna niemand - en zeker niet de leiders van onze samenleving - slaagt erin de betekenis van deze verandering ten volle te doorzien, hoewel ze van buitengewoon verstrekkend belang is. Deze verandering markeert namelijk het begin van een verschuiving van onze moderne industriŽle beschaving naar een andersoortige beschaving.
We kunnen nog niet zeggen hoe deze nieuwe samenleving eruit zal zien, maar we mogen er wel op rekenen dat, in vergelijking met onze ervaringen van de afgelopen anderhalve eeuw sinds de industriŽle revolutie, energie veel duurder zal worden naargelang goedkope olie meer en meer door niet-conventionele en duurzame bronnen vervangen wordt. De prijsstijging zal niet constant en lineair zijn, maar zal scherpe pieken en dalen te zien geven, terwijl de mondiale economie zich aan de situatie probeert aan te passen. Zelfs een gemiddelde stijging in reŽle energiekosten van slechts 2,5 procent per jaar - een groeicijfer waar we de laatste jaren voortdurend overheen zijn gegaan - zal na een eeuw in een tienvoudige prijstoename resulteren.
Kunnen we verstandig en veilig door deze transitie heenkomen? Niet als we weigeren om de consequenties van deze overgang in te zien en we gewoon doorgaan met wat we nu aan het doen zijn. We zijn druk bezig om de groeifase van het economische, ecologische en sociale systeem van onze planeet te verlengen. Tijdens dit proces wordt ons planetaire systeem steeds complexer, efficiŽnter, meer onderling verbonden en gereguleerd. Uiteindelijk komt de dag dat het systeem minder veerkrachtig wordt. (Zie de paragraaf Ecosystemen in de Inleiding.) Feitelijk kan de dag al zijn aangebroken dat het systeem een deel van zijn veerkracht aan het verliezen is.
Een aantal factoren stuwt deze veranderingen voort. Ten eerste is er de wanhopige behoefte van bedrijven, economieŽn en samenlevingen om prestaties en productiviteit te maximaliseren, wat hen dwingt om hun organisatorische en technologische complexiteit, hun interne doelmatigheid en regelgeving en de snelheid waarmee zij materialen, energie en informatie produceren en transporteren steeds verder op te schroeven. Ten tweede, als de wereldeconomie ten opzichte van de omvang van de voorraden aan hulpbronnen op aarde en van haar biosfeer steeds verder uitdijt, zullen wij ook de hulpbronnen en de energie veel efficiŽnter moeten gaan gebruiken en nog zorgvuldiger in onze interacties met de natuur moeten zijn - en dit betekent steeds ingewikkelder technologieŽn, procedures, voorschriften en instellingen. Uitgaande van de huidige trends zal de mondiale productie van goederen en diensten tegen 2050 verviervoudigen, van 60 biljoen dollar naar 240 biljoen dollar (uitgedrukt in dollars van 2005). Als wij zo'n reusachtige economie draaiende willen houden - en als we tegelijkertijd willen vermijden dat we het leefklimaat van de planeet daarbij verwoesten -, dan zullen wij alles uit de kast moeten halen, van hoogtechnologische programma's voor het opwekken van energie en waterbesparing tot enorme bureaucratieŽn om mensen en bedrijven op te sporen en te bestraffen die teveel koolstofdioxide uitstoten. Naarmate onze EROI de komende decennia verder terugloopt, zullen we tot slot veel hoger ontwikkelde technologieŽn en organisaties nodig hebben om de wereld op minuscule olievoorraden af te speuren en energie van lage kwaliteit te peuren uit een oneindige reeks centrales voor zonne-, wind- en geothermische energie.
In de komende decennia zal het kortom steeds lastiger worden om onze problemen op het gebied van natuurlijke hulpbronnen en het milieu op te lossen; onze bedrijven, organisaties en samenlevingen zullen daarom steeds complexer moeten worden om tot goede oplossingen te komen; en de oplossingen die zij voortbrengen - of ze nu van technologische of institutionele aard zijn - zullen eveneens steeds complexer moeten zijn. Het hedendaagse Nederland geeft ons een voorproefje van hoe deze toekomst eruit kan zien. Als een van de dichtstbevolkte landen ter wereld heeft Nederland een zwaar geÔndustrialiseerde, energie-intensieve economie met een hoog consumptieniveau, en de Nederlanders moeten de zee onophoudelijk terugdringen om op hun kleine lapje grond te overleven. Door de eeuwen heen hebben de Nederlanders op deze situatie gereageerd door verbazingwekkend complexe systemen van technologie en sociale verordeningen in het leven te roepen. Daartoe horen de gedetailleerde wetten om het land maximaal te benutten en natuurlijk het ingewikkelde systeem van dijken, waterwegen en gemalen. Naarmate Nederland rijker en dichter bevolkt werd en steeds verder ingekapseld raakte door het tekort aan hulpbronnen en milieuproblemen, is zowel de regelgeving als de technologie steeds complexer en duurder geworden.
Als we op een mondiale samenleving en economie uitkomen die op die van Nederland lijkt, zou dat dan echt zo erg zijn? Het gaat immers prima met de Nederlanders. Jammer genoeg zal zelfs de enorme complexiteit van het hedendaagse Nederland bij lange na niet voldoende zijn om de hordes aan planeetbrede uitdagingen aan te pakken waar we binnenkort mee geconfronteerd worden, zoals klimaatverandering en steeds ernstiger tekorten aan hoogkwalitatieve energie. Wij zullen een mondiale samenleving moeten creŽren die ik `Nederland maal tien' ben gaan noemen, met regels en regulerende instellingen die veel geraffineerder, diepgaander en duurder zijn dan wat de Nederlanders vandaag de dag kennen. Is dit echt de toekomst die wij voor onszelf en onze kinderen wilen?